Ontwikkelingspsychologie lesweek 5: adolescentie 16-17
1. Het is niet eenvoudig om de adolescentieperiode af te bakenen in de tijd. Voor de beginleeftijd valt
dat nog mee, als gemiddelde neemt men meestal tussen de 11 en 13 jaar. In de meeste
geïndustrialiseerde samenlevingen varieert de overstap naar de volwassenheid. Het boek geeft een
algemene periode waarin de adolescentie ongeveer in beslag neemt, namelijk:
A 11 tot en met 18 jaar
B 11 tot en met 20 jaar
C 12 tot en met 22 jaar
D 14 tot en met 24 jaar
2. Het begin van de adolecentie wordt gekenmerkt door twee belangrijke fysiologische
gebeurtenissen. De groeispurt en de seksuele rijping. De groeispurt (lichaamsgroei) kenmerkt zich,
volgens Craeynest (2013) door twee fases, namelijk
A de uitstrekfase en de breedtefase.
B de strekkingsfase en de vullingsfase.
C de lengtefase en de diktefase.
D de lengtefase en de obesitasfase
3. Aan het begin van de adolescentie verandert het lichaam zo snel disharmonisch dat het
lichaamsschema, dat in de schoolperiode vrijwel perfect overeenkwam met de reële
lichaamsverhoudingen, niet vlug genoeg mee evolueert. Dit is te merken aan
A de fijne motoriek.
B de stunteligheid die je vaak kunt merken bij jonge adolescenten.
C het conreet-operationele denken.
D seksuele rijping
4. Cognitieve ontwikkeling
Vanaf de adolescentie begint de mogelijkheid te ontstaan om, op een wetenschappelijke manier te
denken: het formeel-operationele denken. het zal nog wel even duren voordat een jonge adolescent
dit nieuwe denken zich eigen gaat maken. Volgens Piaget begint deze fase namelijk met een duik naar
het:
A cognitieve
B equilibrium
C abstracte denken
D disequilibrium
1. Het is niet eenvoudig om de adolescentieperiode af te bakenen in de tijd. Voor de beginleeftijd valt
dat nog mee, als gemiddelde neemt men meestal tussen de 11 en 13 jaar. In de meeste
geïndustrialiseerde samenlevingen varieert de overstap naar de volwassenheid. Het boek geeft een
algemene periode waarin de adolescentie ongeveer in beslag neemt, namelijk:
A 11 tot en met 18 jaar
B 11 tot en met 20 jaar
C 12 tot en met 22 jaar
D 14 tot en met 24 jaar
2. Het begin van de adolecentie wordt gekenmerkt door twee belangrijke fysiologische
gebeurtenissen. De groeispurt en de seksuele rijping. De groeispurt (lichaamsgroei) kenmerkt zich,
volgens Craeynest (2013) door twee fases, namelijk
A de uitstrekfase en de breedtefase.
B de strekkingsfase en de vullingsfase.
C de lengtefase en de diktefase.
D de lengtefase en de obesitasfase
3. Aan het begin van de adolescentie verandert het lichaam zo snel disharmonisch dat het
lichaamsschema, dat in de schoolperiode vrijwel perfect overeenkwam met de reële
lichaamsverhoudingen, niet vlug genoeg mee evolueert. Dit is te merken aan
A de fijne motoriek.
B de stunteligheid die je vaak kunt merken bij jonge adolescenten.
C het conreet-operationele denken.
D seksuele rijping
4. Cognitieve ontwikkeling
Vanaf de adolescentie begint de mogelijkheid te ontstaan om, op een wetenschappelijke manier te
denken: het formeel-operationele denken. het zal nog wel even duren voordat een jonge adolescent
dit nieuwe denken zich eigen gaat maken. Volgens Piaget begint deze fase namelijk met een duik naar
het:
A cognitieve
B equilibrium
C abstracte denken
D disequilibrium