Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting H4 Gleitman Psychology

Rating
4.0
(1)
Sold
-
Pages
24
Uploaded on
12-04-2017
Written in
2016/2017

Zeer uitgebreide samenvatting/vertaling van H4 van het boek Gleitman. Alle onderdelen en begrippen worden erin benoemd en uitgelegd. Tentamenstof. Toegepaste psychologie.

Institution
Course

Content preview

H4 Gleitman


H4 Psychology
Distal stimulus  Een object of gebeurtenis in de buitenwereld (Bijvoorbeeld: een
persoon) De distal stimulus is meestal op enige afstand van de ontvanger.

Proximal stimulus  de energieën van de buitenwereld die rechtstreeks onze
zintuigen bereiken. (Bijvoorbeeld: een ruis, geluid)
Deze zijn meestal dichtbij/vlakbij.

Het onderscheid tussen de distal en proximal stimulus is cruciaal van belang voor
horen en onze visie.

Dit onderscheid is een probleem voor empiristen.
George Berkeley: Een groot object dat ver van ons vandaan is, kan dezelfde
beeldgrootte op ons netvlies werpen, als een klein object dat dichterbij ons is.
(*Retinal/image size)
Dit vertelt ons niet de grootte van de distal stimulus.
*Retinal=netvlies

Ook stelde Berkeley dat het netvlies twee-dimensioneel is, en het ons niet directe
informatie over de drie-dimensionale wereld kan geven.

De empiristen stelden dat we kunnen waarnemen en bewegen in de drie-
dimensionale wereld, omdat onze ervaring ons geleerd heeft hoe we de twee-
dimensionale proximal stimulus moeten interpreteren. (Dus d.m.v. leren en ervaring)

Je hebt ook diepte signalen die een deel uitmaken van het netvlies beeld.
Deze signalen bevatten visuele perceptie.  Een signaal die gebruikt wordt om
diepte te brengen in vele schilderijen.
De empiristen stelden dat in vele omstandigheden, we een patroon van visuele
perceptie zien en een moment later, reiken naar het object of richting het object
gaan.
Deze ervaring maakt een associatie/vereniging van de visuele signaal (cue) en de
juiste beweging; en omdat deze ervaring steeds weer herhaald wordt, produceert de
visuele aanwijzing alleen de herinnering van de beweging, en dus het gevoel van
diepte.

Sommige filosofen stellen dat de rol van de ontvanger een grotere rol speelt dan dat
de empiristen dachten. De ontvanger moet namelijk de binnenkomende informatie
interpreteren en categoriseren.

Immanuel Kant: Perceptie is alleen mogelijk omdat ons verstand /onze geest de
informatie v.d zintuigen organiseert in bepaalde bestaande categorieën.

Ieder van ons heeft een aangeboren inzicht/kennis van bepaalde ruimtelijke
verhoudingen, zodat we weten wat het betekent voor een ding dat naast of ver weg van
een ander ding is, enzovoort. We hebben ook een aangeboren inzicht/kennis van
temporele relaties, en ook wat het betekent dat een gebeurtenis een andere gebeurtenis
veroorzaakt.

,H4 Gleitman

Dit begrijpen van ruimte, tijd en kwaliteit brengt orde aan onze perceptie: zonder dit
kader zou onze sensorische ervaring chaotisch en zinloos zijn.
Dus je onderscheid bv zuur van zoet, rood van groen etc.

Volgens Kant maken deze categorieën perceptie mogelijk.
Deze categorieën moeten plaats vinden, voordat enige perceptuele ervaring kan
optreden, dus ze kunnen niet worden afgeleid door perceptuele ervaringen.

Pyschophysics  een benadering van perceptie dat betrekking heeft op de kenmerken
van fysieke stimuli en de zintuiglijke ervaringen die zij produceren.
(Het linken van psychologische ervaringen aan psychische stimuli)

- Absolute threshold  De kleinste hoeveelheid van een stimulus dat een
individu kan opmerken. BV: hoeveelheid licht, die nodig is zodat iemand het kan
zien/opmerken.
- Difference threshold  De kleinste hoeveelheid dat zorgt dat een stimulus
vergroot of vermindert, zodat een individu het verschil kan opmerken. (De kleinste
verandering in een bijdrage, dat opgemerkt kan worden)
- Just-noticeable difference / JND  het kleinste verschil dat een organisme
oprecht/betrouwbaar kan opmerken tussen 2 stimuli.
Dus de minimale hoeveelheid, waardoor een stimuli veranderd.

Deze thresholds kan je voor vele sensorische dimensies meten  smaken,
felheid, sterkte van geluid, geuren, zwaarte, druk etc.

Over al deze dimensies, laten verschillende drempels een consistente eigenschap zien:
Ze zijn afhankelijk van proportionele verschillen en niet van absolute verschillen.
Proportioneel  evenredig / in verhouding.
Absoluut  de grootte, BV: 1000 euro verschil

VOORBEELD:
Een proportionele verandering van een verschil van 2%.
BV: je kan niet het verschil merken tussen een tas van 50,5 kg en 50 kg, want dit is een
verandering van 1%, maar als hij 51 kg is merk je het wel  2%

Weber’s law  De observatie dat de omvang/grootte van de difference threshold
proportioneel is aan de intensiteit van de standaard stimulus.




* Hier staat een k, maar in Gleitman is dit een c.

I = De intensiteit van de standaard stimulus.

I = de hoeveelheid die moet worden toegevoegd aan deze intensiteit zodat er een
stijging geproduceerd wordt die opgemerkt kan worden.

c (k) = constant, bijvoorbeeld in het voorbeeld hierboven 2%
Wat voor de c (k) staat in het formule, noemen we  Weber fraction

,H4 Gleitman

Hoe kleiner de weber fraction, hoe meer gevoeliger de modaliteit van het zintuig.


Webers law(=wet) is belangrijk om meerdere redenen.
- Het feit dat het ons toelaat om de gevoeligheden van andere zintuiglijke
modaliteiten te vergelijken
- Het helpt ons om een verdere puzzel op te lossen  de meting van Difference
thresholds vertelt ons of de ontvanger een veranderingen kan
ontdekken/opmerken of niet.

We zijn meer gevoeliger voor verschillen in gewicht dan dat we zijn voor verschillen in
geluidsterkte.

Gustav Fechner  Fechners’s law (Gebasseerd op Weber’s law)
: Beschrijft de relatie tussen de fysieke intensiteit van een prikkel en de psychologische
intensiteit van de ervaring die is geproduceerd door die ervaring.

De wet bepaalt dat de sterkte van een sensatie/gevoel logorithmisch vergoot wordt met
de intensiteit van de stimulus.
S = k log I

S = psychologische grootheid
I = fysieke intensiteit van de stimulus
k = een constante, waarvan de waarde af hangt van de waarde v.d Weber fration
§
(Pijn is een uitzondering bij deze wet, want bij pijn, zorgt een hele kleine toename van de
stimulus al voor een grote toename in de sensatie/ in het gevoel)

Perceptual sensitivity  een organismes vermogen om een signaal op te merken.
Decision criteria  een organismes regel hoeveel bewijs het nodig heeft om te
reageren/beantwoorden.


Signal-detection theory  Theorie, dat waarnemen of niet waarnemen van een
stimulus eigenlijk een oordeel is over of een kortstondige zintuigelijke ervaring het gevolg
is van alleen een achtergrondgeluid of van een achtergrondgeluid plus een signaal.

Wanneer mensen moeten bepalen of een signaal tussen de ruis aanwezig is kunnen vier
situaties ontstaan:
 er is signaal en dat wordt waargenomen hit
 er is signaal maar wordt niet waargenomen miss
 er is geen signaal maar iets wordt wel waargenomen false alarm
 er is geen signaal en dat wordt ook niet waargenomen  correct rejection.


Bij het kijken van alle getallen, (hoe vaak miss, vals alarm etc.) kunnen we 2 metingen
doen voor elk persoon:
 De gevoeligheid voor de input
 Criteria van de persoon, hoeveel informatie heeft een persoon nodig voordat hij; “ja ik
hoorde dat” zegt. (of ik zag het/ ik rook het)

, H4 Gleitman

Mensen verschillen in hun gevoeligheid om bepaalde redenen:
- Leeftijd (oude mensen horen vaak slechter bijvoorbeeld)

Mensen hebben dus ook verschillende reactie/antwoord criteria, dit komt door
verschillende factoren.
- Blijvende eigenschappen van de persoon  BV: sneller risico’s nemen
- Specifieke omstandigheden
- Iemands geloof/idee over de frequentie v.d. signalen
- Payoff-matrix  het patroon van voordelen en kosten geassocieerd met
bepaalde types van reacties/antwoorden
BV: je wilt indruk maken op iemand, of je krijgt een beloning, of je bent bang dat je
‘ongeïnteresseerd’ overkomt.


Signaal detectie wordt bijvoorbeeld gebruikt bij onderzoeken over hypnose.
We maken vaak beslissingen met imperfecte informatie, dus het is weleens zo dat we
errors maken.

Als je je zorgen maakt over valse alarmen  kan je stappen nemen om het response
criterion (=reactie criteria) te vergroten.
Dit zal het aantal valse alarmen verkleinen, maar het is geneigd om het aantal missen te
vergroten.

Het verlagen van de reactie criteria zou het aantal missen verkleinen, maar het aantal
valse alarmen vergroten.

Sensory coding
De vele verschillende zintuigen hebben gemeenschappelijke cruciale functies.
 In alle gevallen, moet een fysieke prikkel worden omgezet in een neutraal signaal.
Dit is de eerste stap van transductie.
Transductie (=transduction) : Het proces waarin een fysieke prikkel word omgezet in
een signaal binnen het zenuwstelsel.

Eenmaal als de prikkel is omgezet, moet het zenuwstelsel op een of andere manier de
verschillende kwaliteiten van de input vertonen.
Ook moet het zenuwstelsel de verschillen binnen elk zintuig systeem presenteren.
Bv: Dat de pizza zoutig was en niet zoet.

Dit zijn allemaal kwesties van sensorische codering.
Sensory coding (=sensorische codering) :
Het proces waarin het zenuwstelsel de kwaliteiten van de binnenkomende prikkel
presenteert. Bv: of een licht rood of groen is, een zoete of zoute smaak etc.

Een aspect van sensorische codering bevat  1: psychologische intensiteit
Bijvoorbeeld het verschil tussen een fel licht of een gedempt licht.
In bijna alle gevallen codeert het zenuwstelsel de intensiteit via de sterkte van het vuren
van de neuronen. Hoe intenser de prikkel, hoe groter het vuren.

Connected book

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Summarized whole book?
No
Which chapters are summarized?
Chapter 4
Uploaded on
April 12, 2017
File latest updated on
April 17, 2017
Number of pages
24
Written in
2016/2017
Type
SUMMARY

Subjects

$4.18
Get access to the full document:

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Reviews from verified buyers

Showing all reviews
9 year ago

4.0

1 reviews

5
0
4
1
3
0
2
0
1
0
Trustworthy reviews on Stuvia

All reviews are made by real Stuvia users after verified purchases.

Get to know the seller

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
stuviaa15 Hogeschool Arnhem en Nijmegen
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
14
Member since
9 year
Number of followers
10
Documents
14
Last sold
3 year ago

3.8

4 reviews

5
0
4
3
3
1
2
0
1
0

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions