H1 en 4:
1. Wanneer worden problemen politieke problemen?
a) Wanneer mensen de situatie als ongewenst beschouwen.
b) Wanneer mensen denken de situatie te moeten en te kunnen
veranderen.
c) Wanneer de overheid zich bezighoudt met het voorkomen,
verminderen of oplossen van problemen.
d) Alle bovenstaande antwoorden.
2. Wat is de definitie van politiek volgens Hoogerwerf?
a) Het overheidsbeleid, alsmede de totstandkoming en effecten
ervan.
b) Elke mengeling van conflict en samenwerking.
c) Wie krijgt er wat, wanneer en hoe?
d) De gezaghebbende toedeling van waarden voor een samenleving.
3. Wat is een kenmerk van collectieve-actieproblemen?
a) Het eigenbelang van individuen conflicteert met het eigenbelang
van anderen.
b) Er is sprake van ondeelbaarheid en niet-uitsluitbaarheid.
c) Individuen hebben geen prikkel om bij te dragen aan de
totstandkoming of instandhouding van publieke goederen.
d) Alle bovenstaande antwoorden.
4. Wat zijn enkele fundamentele waarden waarmee de politiek worstelt
bij het maken van beleid?
a) Publiek vs privaat, democratie vs leiding, vrijheid vs gelijkheid,
eenheid vs verscheidenheid, idealisme vs realisme, doelmatigheid vs
aanvaardbaarheid, orde vs verandering.
b) Collectieve-actieproblemen, internationale betrekkingen,
Europese integratie.
c) Conflict en samenwerking, verdeling van macht, toedeling van
waarden.
d) Globalisering, regionalisering, mondialisering.
5. Wat is het verschil tussen nationale politiek en internationale
politiek?
a) Op internationaal niveau bestaat er geen organisatie met een
geweldsmonopolie.
b) Nationale politiek wordt afgedwongen, terwijl internationale
politiek gebaseerd is op goed vertrouwen en supranationale
besluitvorming.
c) Nationale politiek heeft invloed op internationale politiek, maar
niet andersom.
d) Alle bovenstaande antwoorden.
, Antwoorden:
1. d) Alle bovenstaande antwoorden.
2. a) Het overheidsbeleid, alsmede de totstandkoming en effecten
ervan.
3. d) Alle bovenstaande antwoorden.
4. a) Publiek vs privaat, democratie vs leiding, vrijheid vs gelijkheid,
eenheid vs verscheidenheid, idealisme vs realisme, doelmatigheid vs
aanvaardbaarheid, orde vs verandering.
5. d) Alle bovenstaande antwoorden.
H5 & 6
1. Wat is de definitie van politieke opvattingen?
a) Diepgewortelde overtuigingen die nauwelijks veranderen
b) Standpunten over situaties waarbij de overheid betrokken is
c) Politieke oriëntaties die veranderen gedurende het leven
d) Waarden en normen die kenmerkend zijn voor een land
2. Wat is de definitie van politieke cultuur?
a) Het geheel van politieke oriëntaties in een land
b) De verdeling van waardeoriëntaties op politieke objecten
c) De politieke opvattingen van alle individuen in een land
d) De specifieke ideologieën en stromingen in een land
3. Wat is het doel van politieke socialisatie?
a) Het verwerven van politieke opvattingen tijdens het leven
b) Het overdragen van waarden door socialisatoren
c) Het identificeren van veranderingen in politieke organisaties
d) Het onderzoeken van generatieverschillen in politieke oriëntaties
4. Welk effect kan de politieke oriëntatie van jongeren beïnvloeden?
a) Het cohorte-effect
b) Het levenscycluseffect
c) Het periode-effect
d) Alle bovenstaande effecten
5. Wat zijn de kenmerken van links op de links-rechtsschaal?
a) Beperking van vrijheid in economisch opzicht en conservatief
b) Beperking van vrijheid in economisch opzicht en progressief
c) Vrijheid in economisch opzicht en conservatief
d) Vrijheid in economisch opzicht en progressief
6. Wat is een kenmerk van postmaterialisme?
a) Focus op veiligheid en welvaart
b) Nadruk op democratisering en zelfontplooiing
c) Waarde hechten aan economische gelijkheid
d) Belang van multinationals en financiële sector