In art. 3:80 lid 2 BW wordt bepaald dat men goederen onder algemene titel verkrijgt door:
- Erfopvolging
- Boedelmenging
- Fusie als bedoeld in art. 2:309 BW
- Splitsing als bedoeld in art. 2:334a BW
Verkrijging onder algemene titel betreft het gehele vermogen, dus ook eventuele schulden en
verplichtingen. Een geheel vermogen gaat van de ene persoon over op de andere persoon.
Erfopvolging: is sprake wanneer iemand overlijdt en een ander zijn vermogen erft. Erfopvolging is
dus de opvolging van de erflater (de overleden persoon) in zijn volledige vermogen door de
erfgenaam (degene die erft). Dat wil zeggen alle zaken, rechten en verplichtingen van de overledene
gaan over op zijn erfgenaam.
Boedelmenging: treedt op wanneer twee mensen met elkaar in huwelijk treden of een geregistreerd
partnerschap sluiten, zonder huwelijkse voorwaarden op stellen. Dit zijn afspraken over het
gescheiden houden van de vermogens. Zonder deze huwelijkse voorwaarden bestaat, vanaf het
moment dat het huwelijk is gesloten, tussen de echtgenoten van rechtswege een algehele
gemeenschap van goederen. Dat wil zeggen dat de vermogens van beide echtgenoten als het ware
samensmelten.
Fusie: wordt geregeld in art. 2:309 BW en wordt omschreven als de verkrijging onder algemene titel
van het vermogen van een rechtspersoon door een andere rechtspersoon. Fusie kan ook
plaatsvinden doordat twee rechtspersonen onder algemene titel de nieuwe rechtspersoon worden
verkregen.
Splitsing: is sprake van splitsing wanneer een rechtspersoon ophoudt te bestaan en het vermogen
onder algemene titel wordt verkregen door twee of meer andere rechtspersonen (art. 2:334a BW).
Volgens art. 3:80 lid 3 BW verkrijgt men goederen onder bijzondere titel door:
- Overdracht
- Verjaring
- Onteigening
- Overige in de wet voor iedere soort aangegeven wijzen.
Overdracht: is sprake wanneer een goed door levering van de ene rechthebbende op een andere
rechthebbende overgaat.
Verjaring: verkrijgende verjaring, ook wel acquisitieve verjaring, wordt geregeld in art. 3:99 BW.
Volgens dit artikel verkrijgt een bezitter te goeder trouw rechten op roerende zaken, niet-
registergoederen en op rechten aan toonder of order na een onafgebroken bezit van drie jaar. Voor
verkrijgende verjaring van overige goederen is een onafgebroken bezit van tien jaren vereist. De
vereisten daar voor zijn: rechten op registergoederen, bezit te goeder trouw, onafgebroken bezit van
tien jaren. Art. 3:101 BW bepaalt dat een verjaring begint te lopen op de dag nadat het goed in bezit
is verkregen. Wanneer de bezitter het bezit van een goed onvrijwillig verliest, dan onderbreekt dit de
verjaring niet, mits aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Het bezit wordt binnen een jaar weer terugverkregen
Binnen een jaar wordt een rechtsvordering tot terugverkrijging ingesteld, die tot
terugverkrijging van het goed leidt
Op grond van art. 3:105 jo 3:306 BW kan een bezitter die niet te goeder trouw is toch rechthebbende
worden. Na een periode van twintig jaar wordt iedere bezitter rechthebbende, ongeacht eventueel
kwade trouw. In dit geval is eveneens sprake van verjaring ook wel extinctieve (=bevrijdende)
verjaring genoemd.
Onteigening: is de ontneming van een goed aan de rechthebbende om dit tot eigendom van een
ander, te weten de overheid, te maken. Onteigening vindt slecht in het algemeen belang plaats.