Thema 10 = zorgvragers met aandoeningen aan de vrouwelijke
geslachtsorganen
Hoofdstuk 35: Gynaecologische aandoeningen
Anatomie van de vrouwelijke geslachtsorganen
Vagina = Schede
Baarmoeder = Uterus / hyster
Baarmoederhals = Cervix uteri
Baarmoederlichaam = Corpus uteri
Twee eileiders = Tubae Falopii / salpinges
Vrouwelijke geslachtsorganen worden onderverdeeld in:
Inwendige geslachtsorganen
Uitwendige geslachtsorganen:
- Behoren de vagina (schede) en de vulva.
Vulva is een verzamelnaam voor:
Schaamheuvel (mons pubis)
Grote schaamlippen (labia majora)
Kleine schaamlippen (labia minora)
Kittelaar (clitoris)
Schedevoorhof (vestibulum vaginae)
Het hymen of de hymenresten (maagdenvlies)
Vulva:
Bevinden zich een aantal kliertjes ( Klieren van Bartholin en Skene)
Functie: Bij seksuele opwinding de ingang van de schede vochtiger te maken.
Inwendige geslachtsorganen zijn:
Schede (Vagina)
Baarmoeder (Uterus of hyster)
- Baarmoederhals: Gedeelte dat in de vagina te voelen is.
- Baarmoederlichaam: Ontwikkelt zich een bevrucht eicel na innesteling
Twee eileiders (Tubae Falopii / salpinges)
- Fimbriae = Franjeachtige uitlopers aan het eind van de eileiders
- Functie =
Vangt de eicel op na de ovulatie en brengt de eicel naar het begin van de eileider –
de eileider naar de baarmoeder getransporteerd.
Twee eierstokken (ovariae)
- FSH = Follikelstimulerend hormoon (lichaamseigen hormoon)
Wordt aangemaakt door de hypofyse.
Functie =
Laat bij vrouwen de eicellen rijpen – eicel komt tot rijping in de eierstok –
volgt de eisprong.
- Oestrogeen en progesteron=
Wordt aangemaakt in het ovarium hormoon als de eicel aan het rijpen is.
Progesteron = Daalt als er geen bevruchting plaats – volgt de menstruatie
geslachtsorganen
Hoofdstuk 35: Gynaecologische aandoeningen
Anatomie van de vrouwelijke geslachtsorganen
Vagina = Schede
Baarmoeder = Uterus / hyster
Baarmoederhals = Cervix uteri
Baarmoederlichaam = Corpus uteri
Twee eileiders = Tubae Falopii / salpinges
Vrouwelijke geslachtsorganen worden onderverdeeld in:
Inwendige geslachtsorganen
Uitwendige geslachtsorganen:
- Behoren de vagina (schede) en de vulva.
Vulva is een verzamelnaam voor:
Schaamheuvel (mons pubis)
Grote schaamlippen (labia majora)
Kleine schaamlippen (labia minora)
Kittelaar (clitoris)
Schedevoorhof (vestibulum vaginae)
Het hymen of de hymenresten (maagdenvlies)
Vulva:
Bevinden zich een aantal kliertjes ( Klieren van Bartholin en Skene)
Functie: Bij seksuele opwinding de ingang van de schede vochtiger te maken.
Inwendige geslachtsorganen zijn:
Schede (Vagina)
Baarmoeder (Uterus of hyster)
- Baarmoederhals: Gedeelte dat in de vagina te voelen is.
- Baarmoederlichaam: Ontwikkelt zich een bevrucht eicel na innesteling
Twee eileiders (Tubae Falopii / salpinges)
- Fimbriae = Franjeachtige uitlopers aan het eind van de eileiders
- Functie =
Vangt de eicel op na de ovulatie en brengt de eicel naar het begin van de eileider –
de eileider naar de baarmoeder getransporteerd.
Twee eierstokken (ovariae)
- FSH = Follikelstimulerend hormoon (lichaamseigen hormoon)
Wordt aangemaakt door de hypofyse.
Functie =
Laat bij vrouwen de eicellen rijpen – eicel komt tot rijping in de eierstok –
volgt de eisprong.
- Oestrogeen en progesteron=
Wordt aangemaakt in het ovarium hormoon als de eicel aan het rijpen is.
Progesteron = Daalt als er geen bevruchting plaats – volgt de menstruatie