Hoofdstuk 2.4
Bij versprekingen gaat er iets mis in de timing, planning en coördinatie van het proces en er treden
bij tongue twisters verbasteringen op die als normale niet-vloeiendheden worden beschouwd.
Factoren die bijdragen tot de ontwikkeling van stotteren:
- erfelijke en aangeboren factoren vormen de predispositie van het kind om te gaan stotteren.
- spraak en taalverwerving en andere ontwikkelingsfactoren lokken lichte niet-vloeiendheden uit.
- omgevingsfactoren zoals kritiek op de spraak of stressvolle gebeurtenissen maken dat niet-vloeiend
spreken chronisch stotteren wordt.
- terugkerende frustratie en verlegenheid over stotteren leiden tot negatieve gevoelens en attitudes
rondom communicatie.
Verschillende ontwikkelings- / behandelniveaus (ZIE SCHEMA BLZ 47):
Normale niet-vloeiendheid: <10 niet-vloeiendheden per 100 woorden; enkelvoudige
herhalingen; voornamelijk herhalingen, tussenwerpsels, revisies.
Grensgeval (borderline) stotteren: >11 niet-vloeiendheden per 100 woorden; meer dan 2
eenheden in herhalingen; meer herhalingen en verlengingen dan revisies en tussenwerpsels
Beginnend stotteren: snelle, onregelmatige/gespannen herhalingen met eventuele fixatie
van articulatiestand tot blokkades, oogknipperen, verhogen stem, toename luidheid
Overgang beginnend-gevorderd stotteren: blokkades waarbij het geluid onderbroken en de
luchtweg wordt afgesloten, vermijdingsgedrag
Gevorderd stotteren: lang gespannen blokkades; sommigen met tremor, vermijdingsgedrag.
Typologieën van Van Riper:
o Type 1: sterke wisselingen tussen periodes waarin wel/niet gestotterd wordt. Vaker herstel,
spontaan of na therapie. Toevallige persoonlijkheids- of omgevingsfactoren.
o Type 2: sprake van achterstand in spraak/taalontwikkeling en slechte articulatie t.g.v.
congenitale neurologische insufficiënties. > herkenbaar als broddelaspecten.
o Type 3: sprake van traumatische ervaringen, bijv. negatieve ervaring voor de klas spreken. Te
hoge eisen stellen aan het spreken, overbezorgdheid en perfectionisme.
o Type 4: laat ontstaan van stotterend spreken (monosymptomatisch) met weinig of geen
psychopathologische gevolgen.
Hoofdstuk 2.5
De geleidelijke ontwikkeling van het beginnend stotteren tot ontwikkelingsstotteren voltrekt zich
tussen het 2e en 5e, soms 7e levensjaar.
Ontwikkelingsfactoren hierbij:
o Ontwikkeling van taalkennis en – o Eisen die het kind en zijn omgeving
vaardigheden stellen aan de mogelijkheden van het
o Spraakmotorische rijpheid kind
o Articulatiesnelheid o Invloed van het temperament op het
o Stabiliteit van het spraakmotorisch stotteren
systeem o Ervaringen die het kind opdoet
Verbaalmotorische component = het spreken zelf
Risicosymptomen wanneer niet-vloeiendheden verontrustend worden:
- Meer dan 3 procent niet- - Verschuiving van stotters bij
vloeiendheden binnen het woord functiewoorden naar inhoudswoorden
- Vaker stotters binnen een woord, - Meer spanning op medeklinkers en
fragmentatie klinkers m.a.g. toonhoogteverschillen
- Vaker woorddeelherhalingen - Meebewegingen of tremoren van
- Vaker woordgroep- of spieren
zindsdeelherhalingen - Meebewegingen van ledematen
- Vaker blokkades - Cognitieve en emotionele reacties van
het kind zelf op zijn stotters