Week 1.
- De student kan de verschillende onderdelen van het respiratoire systeem en hun functie beschrijven.
o Upper: neus, mond, keelholte (pharynx), strottenhoofd (larynx)
Functie: verwarmen van de lucht, zuiveren van de lucht, vochtig maken van de lucht
Ook aanvoer zuurstof, uitvoer CO2
o Lower: trachea, bronchiën (2 hoofd, één links en één rechts deze vertakt naar kleinere
bronchiën, dit worden bronchiolen en dit worden weer terminale en respiratoire bronchiolen),
alveoli
Functie trachea, bronchiën en kleine bronchiolen: verwarmen, bevochtigen en zuiveren
van de lucht
Functie alveoli: uitwisseling van O2 en CO2 met het bloed (O2 afgifte en CO2 opname
door de alveoli)
- De student kan de verschillende (hulp)ademhalingsspieren en hun functie benoemen.
o Inademen:
Mm. Scalenii
M. pectoralis minor/major
M. seratus anterior
M. sternocleidomastoideus
Bovenstaande zijn hulpademhalingsspieren
M. intercostelis externus
Diafragma
o Uitademen:
Buikspieren
M. rectus abdominis: buikpers
M. obliquus externus: buikpers
M. obliquus internus: buikpers
M. transversus abdominis: buikpers
M. thoracis transversus
M. intercostalis internus
- De student kan de ademhalingsbeweging beschrijven.
o Inademing:
Ribben naar voren en iets omhoog (elevatie)
Diafragma plat wat af
o Uitademing:
Depressie van de ribben (door de intercostales internus)
Verkleinen van de thorax (diafragma wordt weer bol en ribben omlaag)
- De student kan verschillende longvolumina en –capaciteiten beschrijven.
o Longvolumes:
Teugvolume (VT)
Expiratoir reserve volume (ERV) maximale uitademing na een normale uitademing
Inspiratoir reserve volume (IRV) inademing die bovenop een normale inademing kan
Restvolume (RV) aantal lucht dat overblijft na een ERV
o Longcapaciteiten:
Inspiratoire capaciteit teugvolume + IRV
Functionele reserve capaciteit ERV + restvolume
Vitale capaciteit (nuttige longinhoud) IRV + ERV + teugvolume
Totale longcapaciteit restvolume + ERV + IRV + teugvolume
- De student kan plekken binnen het respiratoire systeem benoemen waar geen of beperkte uitwisseling
is van zuurstof.
o Anatomisch dode ruimte (ADR)
Structuren in het respiratoire systeem waar geen uitwisseling van CO2 – O2 plaats
vindt
Neus, mond, keelholte, strottenhoofd, bronchiën, trachea, kleine bronchiolen