1.1 Aardrijkskundeonderwijs
Doormiddel van het vak aardrijkskunde leren kinderen en jongeren zich oriënteren in de wereld die
door de massamedia en de globalisering steeds kleiner lijkt te worden. Door aardrijkskunde worden
kinderen sociaal redzamer en leren ze de samenhang tussen actuele gebeurtenissen ontdekken.
Zoals milievraagstukken, culturele conflicten, arm-rijktegenstellingen en internationale
samenwerking.
Het aardrijkskundeonderwijs is echter een vergaarbak geworden van ‘incidents and accidents’.
Vergaarbak: een gevolgcultuur zonder naar de oorzaken en diepere achtergronden te kijken.
1.2 Het vak aardrijkskunde
Aardrijkskundeonderwijs is maar al te vaak verworden tot verbalisme, zeg maar de suprematie van
de informatieve tekst. Andere informatiebronnen, zoals de eigen omgeving worden nauwelijks
structureel ingezet. Op verbalisme zit de huidige generatie leerlingen niet te wachten, des te meer
omdat ze buiten de school ervaren dat het anders en vooral boeiender kan.
1.3 ontwikkeling in het aardrijkskundeonderwijs
1.3.1 aardrijkskunde op de basisschool en in de basisvorming
We noemen de volgende ontwikkelingen in het aardrijkskundeonderwijs op de basisschool en in de
basisvorming:
- Basisschoolleerlingen krijgen maar 1 uurtje aardrijkskunde in het basisonderwijs.
Aardrijkskunde is verworden tot begrijpen en studerend lezen.
- Leerlingen krijgen hoofdzakelijk les ui aardrijkskundemethoden. Veel leerlingen zijn een soort
slaaf van de methode en ze slepen de leerlingen daarin mee.
- 40% van de basisscholen gebruikt te oude methodes.
- Op verschillende scholen wordt het vervangen door mens en maatschappij. Dat is dus sociale
wereldoriëntatie, waarvan in de jaren zeventig van de vorige eeuw al is bewezen dat het leid
tot vervlakking en eenzijdige ontwikkeling van vaardigheden.
- Op het voortgezet onderwijs kunnen ze nergens op bouwen doordat de aardrijkskunde
lessen op de basisschool bijna niks voorstellen.
- Het alleen maar opzoeken van dingen heeft geen nut doordat de leerlingen dan niks opslaan.
Bij het opzoeken moeten ze al een mentale map hebben van essentiële dingen. Hieraan
kunnen ze dan vervolgens nieuwe dingen koppelen.
1.3.2 Aardrijskunde op de lerarenopleiding basisonderwijs
Om te kijken hoe geschikt de pabostudenten aan het eind van hun jaar zijn om les te geven in het vak
aardrijkskunde zijn er een aantal ontwikkelingen war naar gekeken wordt:
- De parate kennis van pabo-studenten over aardrijkskundige onderwerpen en het beheersen
van geografische vaardigheden is slecht als het wordt vergeleken met hun rekenniveau. Zo
halen veel pabostudenten het 8+-niveau voor aardrijkskunde niet. Dit is het gemiddelde
resultaat van de beste 2-% uit de cito-eindtoets. Een deel kan je de pabo aanrekenen en dat
is de steeds geringere aandacht voor vakinhoud en vakdidactiek in het leerplan.
- Veel pabo scholen gaan er vanuit dat de studenten al op een redelijk niveau zitten en geven
hierdoor minderen les in aardrijkskunde en geschiedenis.
- Pabo-studenten lopen steeds meer praktijkstages in het basisonderwijs in de vorm van
werkplekleren en LIO-stages. Wanneer een leerkracht gewoon les geeft volgens de methode
maar niet eens weet waarom die deze les geeft leidt dit tot fragmentarische en
encyclopedische aardrijkskunde zonder inhoudelijke context en structuur.