Hoofdstuk 1
Organisatie: Een groep mensen die gemeenschappelijk doel nastreven.
Bedrijven: Organisaties die producten of diensten produceren.
Ondernemingen: Bedrijven die winst nastreven.
Organisatiekunde: Een interdisciplinaire wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen
van het gedrag van organisaties alsmede de factoren die dit gedrag bepalen en de wijze
waarop organisaties het meest doeltreffend bestuurd kunnen worden.
Descriptief aspect (beschrijvend). Prescriptief aspect (adviserend).
Organisatie en management: Leer van het bestuur van elke vorm van menselijke samenwerking
voor een gemeenschappelijk doel.
Denkrichtingen en persoonlijkheden:
o Voor industriële revolutie (400 v.C. – 1900 n.C.)
o Taylor – Scientific Management (+/- 1900): Door Industriële revolutie kwamen er steeds
meer medewerkers en was het nodig om na te denken over modellen hoe je mensen
moest aansturen. Als je A1 B2 C3 … moet opschrijven duurt het veel langer dan dat je
eerst alfabet doet en dan cijfer doet. Grondlegger van een meer systematische
benadering van bedrijfsvoering. Grootste probleem: Hoe geef je hier goed leiding aan?
Meerdere bazen. Hoofdpunten van Scientific Management (Taylorisme) zijn:
Wetenschappelijke analyse van werkzaamheden en uitvoeren van
bewegingsstudies.
Vergaande taakverdeling en training van arbeiders.
Hechte en vriendschappelijke samenwerking tussen leiding en arbeiders.
Bedrijfsleiders verantwoordelijk voor analyseren van en zoeken naar
werkmethoden en het scheppen van arbeidsvoorwaarden.
Juiste man op de juiste plaats door zorgvuldige selectie.
Invoeren van prestatiebeloning met als doel te komen tot lagere
productiekosten.
o Henry Fayol – General Management (+/- 1900): Nadrukkelijk gericht op de gehele
organisatie en niet op productieafdeling (Taylor). General Management-theorie legt
verbanden tussen de managementgebieden (technisch, commercieel, financieel,
zelfbeschermend, boekhouding en besturing) en de managementtaken (plannen,
organiseren, bevel voeren, coördineren en controleren). Hoe groter de organisatie
wordt, hoe meer mensen dingen anders op gaan vatten. Iedereen een baas.
o Max Weber – Bureaucratie (+/- 1940): Vooral gericht op overheidsorganisaties en grote
bedrijven vanuit sociologische invalshoek. Regels, wetten, afvinklijsten, controle, etc.
Kenmerken van ideale bureaucratie:
Sterk doorgevoerde taakverdeling
Hiërarchische bevelstructuur
Nauwkeurig afgebakende bevoegdheden en verantwoordelijkheden
Onpersoonlijke relaties tussen functionarissen
Werving op basis van bekwaamheden en kennis
Bevordering en beloning op basis van objectieve criteria en procedures
Uitvoering van werkzaamheden volgens vast routineregels
Gegevens zijn vastgelegd in schriftelijke stukken
De macht van functionarissen is aan restricties gebonden