Hoofdstuk 3: De ontwikkeling van basisschoolkinderen
3.1 Kleuters
3.1.1 Fysieke ontwikkeling
Basisvoorwaarden voor het schoolse leren
Motoriek
Grove/grote motoriek is goed ontwikkeld. Veel bewegen, van grof naar fijn. Bewegen en leren gaan
samen. Balans en voortbewegen.
Fijne/kleine motoriek: oog-handcoördinatie, lateralisatie (rechts of links zijn), pengreep.
Lichaamsoriëntatie: kennis van eigen lichaam. Erachter komen hoe vingerspieren werken.
Tekenontwikkeling: krassen en krabbelen. Kopvoeter naar verlengde kopvoeter naar volledig
mensfiguur.
Zintuigelijke ontwikkeling
Visuele waarneming (leren ze meer van) en auditieve waarneming. Alle zintuigen zoveel mogelijk
stimuleren.
Seksuele ontwikkeling
Volgens Freud is kind in de fallische fase: belangstelling voor genitaal. Ook kunnen kleuters sterke
verliefdheidsgevoelens krijgen voor ouder van het andere geslacht (jongens op hun moeder), maar
ook naar leerkracht.
Kohlberg geeft aan dat kleuters al vanaf drie jaar weten of ze jongen/meisje zijn: hebben van
geslachtsidentiteit, maar weten niet dat dit voor altijd zal zijn. Volgend stadium is dan ook
geslachtsstabiliteit, dan weten ze dat ze voor altijd een jongen/meisje zullen zijn, maar uiterlijke
veranderingen kan ervoor zorgen dat ze alsnog gaan twijfelen. Derde stadium is
geslachtsconstantheid: uiteindelijke besef dat een jongen altijd een jongen zal blijven ook al vinden
er uiterlijke veranderingen plaats.
Het vertonen van seks typisch gedrag begint jong: verschil in voorkeur van speelgoed en spel. Meisjes
beginnen hierdoor eerder aan fijne motoriek. Jongens liever in een groep en meisjes liever met één
iemand. Later kunnen kleuters ook benoemen wat bijvoorbeeld vrouwelijke beroepen zijn en wat
meer voor mannen is.
3.1.2 Sociaal-emotionele ontwikkeling
Tussendoelen sociaal-emotionele ontwikkeling groep 1/2 en 3/4 (stencil, niet in boek).
Emotionele ontwikkeling
Kleuters kunnen emoties al vrij goed beheersen. Kleuters kunnen emoties bij zichzelf en bij anderen
benoemen en onderkennen.
Angsten: onplezierig gevoel van beklemming of spanning, biologisch bepaalde reactie op
gewaarwording van gevaar. Functie van angst is beschermen tegen overprikkeling. Begrip van angst
belangrijk voor t kind. Gehechtheid speelt belangrijke rol in omgaan met angst. Kind moet angst
kunnen vertonen bij hecht persoon en daarna ook in staat zijn verder te kunnen functioneren.
Instrumentele afhankelijkheid: volwassenen nodig hebben om problemen op te lossen. Grote
emotionele afhankelijkheid kan probleem vormen, te veel moet worden geholpen.
Agressie: instrumentele agressie is bijvoorbeeld afpakken van schep van ander kind. Daarnaast ook
vijandige agressie: als doel de ander schade te berokkenen, zonder dat er een wens is een doel te
bereiken. Jongens is dit meer fysiek en meiden meer agressie in relationele sfeer (buitensluiten).
Fantasie: animistisch denken is het toekennen van een ziel aan levenloze objecten. Andere term is
magisch denken: kind fantaseert over oorzaak van iets, en zoekt die vervolgens bij zichzelf.
3.1 Kleuters
3.1.1 Fysieke ontwikkeling
Basisvoorwaarden voor het schoolse leren
Motoriek
Grove/grote motoriek is goed ontwikkeld. Veel bewegen, van grof naar fijn. Bewegen en leren gaan
samen. Balans en voortbewegen.
Fijne/kleine motoriek: oog-handcoördinatie, lateralisatie (rechts of links zijn), pengreep.
Lichaamsoriëntatie: kennis van eigen lichaam. Erachter komen hoe vingerspieren werken.
Tekenontwikkeling: krassen en krabbelen. Kopvoeter naar verlengde kopvoeter naar volledig
mensfiguur.
Zintuigelijke ontwikkeling
Visuele waarneming (leren ze meer van) en auditieve waarneming. Alle zintuigen zoveel mogelijk
stimuleren.
Seksuele ontwikkeling
Volgens Freud is kind in de fallische fase: belangstelling voor genitaal. Ook kunnen kleuters sterke
verliefdheidsgevoelens krijgen voor ouder van het andere geslacht (jongens op hun moeder), maar
ook naar leerkracht.
Kohlberg geeft aan dat kleuters al vanaf drie jaar weten of ze jongen/meisje zijn: hebben van
geslachtsidentiteit, maar weten niet dat dit voor altijd zal zijn. Volgend stadium is dan ook
geslachtsstabiliteit, dan weten ze dat ze voor altijd een jongen/meisje zullen zijn, maar uiterlijke
veranderingen kan ervoor zorgen dat ze alsnog gaan twijfelen. Derde stadium is
geslachtsconstantheid: uiteindelijke besef dat een jongen altijd een jongen zal blijven ook al vinden
er uiterlijke veranderingen plaats.
Het vertonen van seks typisch gedrag begint jong: verschil in voorkeur van speelgoed en spel. Meisjes
beginnen hierdoor eerder aan fijne motoriek. Jongens liever in een groep en meisjes liever met één
iemand. Later kunnen kleuters ook benoemen wat bijvoorbeeld vrouwelijke beroepen zijn en wat
meer voor mannen is.
3.1.2 Sociaal-emotionele ontwikkeling
Tussendoelen sociaal-emotionele ontwikkeling groep 1/2 en 3/4 (stencil, niet in boek).
Emotionele ontwikkeling
Kleuters kunnen emoties al vrij goed beheersen. Kleuters kunnen emoties bij zichzelf en bij anderen
benoemen en onderkennen.
Angsten: onplezierig gevoel van beklemming of spanning, biologisch bepaalde reactie op
gewaarwording van gevaar. Functie van angst is beschermen tegen overprikkeling. Begrip van angst
belangrijk voor t kind. Gehechtheid speelt belangrijke rol in omgaan met angst. Kind moet angst
kunnen vertonen bij hecht persoon en daarna ook in staat zijn verder te kunnen functioneren.
Instrumentele afhankelijkheid: volwassenen nodig hebben om problemen op te lossen. Grote
emotionele afhankelijkheid kan probleem vormen, te veel moet worden geholpen.
Agressie: instrumentele agressie is bijvoorbeeld afpakken van schep van ander kind. Daarnaast ook
vijandige agressie: als doel de ander schade te berokkenen, zonder dat er een wens is een doel te
bereiken. Jongens is dit meer fysiek en meiden meer agressie in relationele sfeer (buitensluiten).
Fantasie: animistisch denken is het toekennen van een ziel aan levenloze objecten. Andere term is
magisch denken: kind fantaseert over oorzaak van iets, en zoekt die vervolgens bij zichzelf.