Het strafrecht vindt alleen plaats tussen de overheid en de burger. Daarbij is Eigenrichting (het recht
in eigen handen nemen) verboden!
Het opleggen van een straf dient voor twee doelen: vergelding en preventie. Er zijn twee
verschillende soorten preventie:
- Speciale preventie: Ontmoedigen en voorkomen dat de gestrafte wederom in de fout gaat.
- Generale preventie: Ook anderen een lering trekken van het strafbaar feit à de gestrafte moet een
voorbeeld zijn voor andere mensen.
Strafrecht wordt onderverdeeld in drie delen: materieel-, formeel strafrecht en sanctierecht. In het
materieel strafrecht staan wel formele onderwerpen in à ne bis in idem (art. 68 Sr) &
voorwaardelijke invrijheidstelling (art. 15 Sr).
De OvJ is de leider van het onderzoek en bepaald of de zaak wel of niet wordt vervolgd.
Commuun strafrecht: Wetboek van strafrecht (inhoud) en strafvordering (het proces).
Bijzonder strafrecht: Wwm, WED, WVW, Opiumwet en Wegenverkeerswet.
Dit alle zijn wetten in formele zin. En een APV van de gemeente hoort hier niet onder!
De vier voorwaarden van een strafbaar feit:
1 Menselijke gedraging: het moet door de mens worden gedaan, dus niet alleen een gedachte maar
ook een handeling. Bestanddeel (moet bewezen worden)
2 Wettelijke delictsomschrijving: Formulering van een strafbaar feit in de wet.
à bestanddelen (die moet je bewijzen!) Bestanddeel (culpa)
3 Wederrechtelijkheid: In strijd met het recht. Element (hoeft niet bewezen te worden, tenzij het
een bestanddeel is geworden, art. 350 Sr).
Noodweer niet in strijd met het recht. à Rechtvaardigingsgronden.
4 Schuld: het moet iemand te verwijten zijn. Element
Geen verwijt à schulduitsluitingsgronden (denk aan ontoerekeningsvatbaar, stoornis).
Schuld bij een bestanddeel: onvoorzichtig handelen.
De onderdelen van een delictsomschrijving worden bestanddelen genoemd. Terwijl elementen niet
worden vernoemd in de wet.
Bestanddeel: moet altijd bewezen worden.
Element: hoeft niet bewezen te worden, tenzij het een bestanddeel is geworden, bv. art. 350 Sr.
Hoofstuk 2
De strafbepaling in de meest volledige vorm: delictsomschrijving, kwalificatie-aanduiding en een
strafbedreiging.
Delictsomschrijving: geeft aan welke ongewenste gedraging de wetgever strafbaar wil stellen.
Kwalificatie-aanduiding: hoe het gedrag in juridisch opzicht wordt benoemd.
Strafbedreiging: bepaalt welke soort straf mag worden opgelegd en het maximum.
Het gedrag is pas strafbaar als het ten tijde van het begaan van het feit in de wet strafbaar gesteld is.
à Het verbod van terugwerkende kracht, bv. in 1954 was diefstal nog niet strafbaar en in 1955 wel,
mensen in 1954 kunnen daarvoor niet meer gestraft worden.
Interpretatiemethoden:
- Wetshistorische interpretatie: er wordt gekeken naar de totstandkomingsgeschiedenis van de
bepaling in kwestie à Kamerstukken.
- Grammaticale interpretatie: aan de hand van de taalkundige betekenis. Er wordt gelet op
zinsverband.
- Systematische interpretatie: wet wordt uitgelegd aan de hand van de systematiek.