Hoofdstuk 1: een overzicht van consumentengedrag
- Belang consumenten: méér inzicht krijgen in hun eigen gedrag zodat ze hun inkomen
optimaal kunnen besteden.
- Belang overheidsbeleid en consumentenorganisaties: consumenten voorlichten, zodat ze
hun keuzemogelijkheden kennen en niet misleid worden.
- Belang wetenschap: cognitieve, economische en sociaal-psychologische theorieën toetsen.
- Belang marketing: voorspellen vraag naar producten en de voorkeur voor merken.
- Discretionair inkomen: wat overblijft na bevrediging van basisbehoeften.
- Goederen en diensten:
o Tastbaar versus ontastbaar.
o Individueel versus collectief.
- Goederen zijn tastbaar en concreet. Diensten zijn ontastbaar en abstract. Veel goederen en
diensten hebben zowel tastbare als ontastbare eigenschappen.
- Collectieve goederen en diensten: kunnen door veel personen worden geconsumeerd.
- Consumentengedrag is enerzijds concreet gedrag, fysiek en waarneembaar, maar ook
mentaal en niet waarneembaar, zoals het besluit om minder vet te gaan eten. Beredeneerd
of impulsief, maar vaak gewoontegedrag.
- Consumptiecyclus:
o orientatie: probleemherkenning, zoeken naar en afwegen van alternatieven en
besluitvorming.
o Aanschaf van goederen en diensten, de feitelijke transactie met kopen en betalen.
o Gebruik en onderhoud van product of dienst.
o Afdanken van het, meestal duurzame, product, inruilen, verkopen op
tweedehandsmarkt, marktplaats.
- Productiesectoren: de commerciële sector, overheidssector en de huishoudelijke sector (zelf
doen vs kopen).
- Korte en langetermijneffecten:
o Onverdienstelijk goed (demerit goods): kortetermijn leuk, lange termijn minder leuk.
o Verdienstelijk goed (merit goods): kortetermijn onaantrekkelijk, lange termijn gunstig.
- Individuele gevolgen versus maatschappelijke gevolgen. Profijt voor jezelf, maar niet voor je
omgeving? > onverdienstelijk goed.
- Als het inkomen van een huishouden hoger is dan wat voor huur en noodzakelijke voeding
en kleding nodig is dan ontstaat discretie: vrije keuze.
- Fasen van wetenschappelijk onderzoek naar consumentengedrag:
1. Prewetenschappelijke fase: voor 1940
2. Motivatieonderzoek: 1940-1964
3. Enkelvoudige concepten: 1960-1970
4. Grote en grootse theorieën: 1966-1972
5. Accent op consumenteninformatieverwerking: 1970-1980
6. Aandacht voor affect of emotie: 1980-1990
7. De experiëntiële benadering: 1990-2000
8. Aandacht voor de context van het consumentengedrag 2000+
- De studie van consumentengedrag wordt sterk gestimuleerd vanuit de marketing. In de
optiek van de marketing bestaat vooral interesse in de eerste fasen van de consumptiecyslus: