Hoofdstuk 4. Geheugen
Kernvraag 4.1 Wat is het geheugen? Elk systeem van de mens, een dier of een apparaat dat
informatie codeert, opslaat en terughaalt.
Coderen: Elementaire functie van het geheugen die te maken heeft met het omzetten van informatie
in een vorm die het beste in het geheugensysteem past.
Opslaan: Een van de drie elementaire functies van het geheugen. Heeft te maken met langdurig
opbergen van gecodeerd materiaal.
Terughalen: De derde elementaire functie van het geheugen. Deze heeft te maken met het
lokaliseren en weer in het bewustzijn terugbrengen van informatie uit het geheugen.
Eidetisch beeld: Een zeldzame, maar bijzonder duidelijke en langdurige vorm van herinnering. Ook
wel ‘’fotografisch geheugen’’ genoemd.
Als je je iets herinnert, haal je fragmenten van het geheugen terug, net als stukje van een legpuzzel.
Vervolgens reconstrueer je de gebeurtenis (of het idee, de emotie of het beeld) vanuit deze
fragmenten door de lege plekken in te vullen zoals je denkt dat het was en niet zoals het feitelijk was.
Psychologen hebben ontdekt dat ons geheugen over het algemeen het nauwkeurigst werkt bij het
vastleggen van:
- Informatie waaraan we aandacht hebben besteed, zoals de woorden van een vriend tegen de
achtergrond van een rumoerig restaurant.
- Informatie die ons interesseert, zoals het plot van een favoriete film.
- Informatie die ons emotioneel raakt zoals, een bijzonder prettige of bijzonder pijnlijke
ervaring.
- Informatie die aansluit bij eerdere ervaringen, zoals een nieuwtje over een popster wiens
concert je vorige week hebt bezocht.
- Informatie die we repeteren, zoals de lesstof die we de avond voor een tentamen nog een
keer hebben doorgenomen.
Om informatie te kunnen coderen moet je eerst een stimulus selecteren. Is het een geluid, is het een
beeld of een geur? Vervolgens moet je dan de stimulus identificeren. Als het dan een geluid is, is het
dan hard, zacht of schel?
Elaboratie: Nieuwe informatie wordt gekoppeld aan informatie die reeds in je geheugen ligt
opgeslagen.