Onderwerp ³ ⁴
Hoe vind je het onderwerp?
1. Stel de vraag: wie, wat + werkwoordelijk gezegde?
Amélie keek naar het nieuws.
Wie keek?
antwoord = Amélie (onderwerp)
1. Als je de persoonsvorm verandert van enkelvoud naar meervoud: welk zinsdeel verandert
dan ook? Dat is dan het onderwerp.
De Groningse studenten hielden zich aan de regels.
De Groningse student hield zich aan de regels.
Je kunt niet in alle gevallen het onderwerp veranderen. In de onderstaande zin heeft het onderwerp
geen meervoudsvorm. In dat geval gebruik je manier 1.
Het vee graast op de wei.
Wie/wat graast?
antwoord = Het vee (onderwerp)
Hoe vind je het onderwerp?
1. Stel de vraag: wie, wat + werkwoordelijk gezegde?
Amélie keek naar het nieuws.
Wie keek?
antwoord = Amélie (onderwerp)
1. Als je de persoonsvorm verandert van enkelvoud naar meervoud: welk zinsdeel verandert
dan ook? Dat is dan het onderwerp.
De Groningse studenten hielden zich aan de regels.
De Groningse student hield zich aan de regels.
Je kunt niet in alle gevallen het onderwerp veranderen. In de onderstaande zin heeft het onderwerp
geen meervoudsvorm. In dat geval gebruik je manier 1.
Het vee graast op de wei.
Wie/wat graast?
antwoord = Het vee (onderwerp)