1. Het werkwoordelijk gezegde is de persoonsvorm + één of meer werkwoorden.
Matteo heeft jarenlang hard gewerkt.
heeft = persoonsvorm
gewerkt = werkwoord dat hoort bij persoonsvorm (ook wel werkwoordelijke rest genoemd)
heeft gewerkt = werkwoordelijk gezegde
In een werkwoordelijk gezegde staat altijd een betekenisvol werkwoord. Je weet wat 'werken'
betekent.
Cloé had het nooit durven doen.
had = persoonsvorm
durven doen = werkwoorden die horen bij had (werkwoordelijke rest)
had durven doen = werkwoordelijk gezegde
doen heeft betekenis
2. Het werkwoordelijk gezegde is de persoonsvorm + delen van samengestelde werkwoorden.
Het werkwoord 'meedelen' bestaat uit 'mee' en 'delen'. Die twee delen beschouwen we als één
werkwoord. Het deel dat geen werkwoord is, hoort bij het werkwoordelijk gezegde.
Maël warmt zijn eten elke avond op.
warmt = persoonsvorm
op = deel dat hoort bij warmt
warmt op = werkwoordelijk gezegde
3. Het werkwoordelijk gezegde is de persoonsvorm + wederkerend voornaamwoord.
We vergissen ons in de kracht van de tegenstander.
Het hele werkwoord is: zich vergissen
vergissen = persoonsvorm
vergissen ons = werkwoordelijk gezegde
4. Het werkwoordelijk gezegde is een werkwoordelijke uitdruking.
Werkwoordelijke uitdrukkingen zijn combinaties zoals een hekel hebben aan, de mantel uitvegen, de
draak steken met.
De rechter voelde de drugshandelaar behoorlijk aan de tand.
De werkwoordelijke uitdrukking is hier: aan de tand voelen.
voelde = persoonsvorm = het werkwoordelijk deel (van de werkwoordelijke uitdrukking)
aan de tand = het niet-werkwoordelijk deel (van de werkwoordelijke uitdrukking)