Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit een werkwoordelijk en naamwoordelijk deel.
Alle werkwoordelijke vormen van het naamwoordelijk gezegde samen (waarvan er één het
koppelwerkwoord is) noemen we het werkwoordelijk deel. De koppelwerkwoorden zijn: zijn,
worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen. Het koppelwerkwoord op zich is
niet betekenisvol. Het krijgt pas betekenis in combinatie met een naamwoord.
David was erg arm.
was op zich betekent niets
arm zijn betekent wel iets
was = persoonsvorm
was erg arm = naamwoordelijk gezegde (was = werkwoordelijk deel; erg arm = naamwoordelijk deel)
De overwinning van het voetbalelftal in de finale werd een triomftocht.
werd = persoonsvorm
werd een triomftocht = naamwoordelijk gezegde (werd = werkwoordelijk deel; een triomftocht =
naamwoordelijk deel)
Het optreden van de rapper schijnt opzienbarend te zijn.
schijnt = persoonsvorm
schijnt opzienbarend te zijn = naamwoordelijk gezegde (schijnt ... te zijn = werkwoordelijk
deel; opzienbarend = naamwoordelijk deel)
Sommige werkwoorden zijn de ene keer koppelwerkwoord (zonder betekenis), maar een andere
keer zelfstandig werkwoord (betekenisvol).
(zijn) Ik ben, dus ik leef.
ben betekent hier bestaan
(schijnen) De zon schijnt.
schijnt betekent hier licht geven
(blijken) Dat blijkt wel.
blijkt betekent hier is de waarheid
(blijven) Ze blijft hier.
blijft betekent hier aanwezig zijn/verblijft