Een bijwoordelijke bepaling zegt iets over het gezegde.
Een bijwoordelijke bepaling heeft altijd betekenis; de meeste bijwoordelijke bepalingen hebben
betrekking op tijd, plaats, richting, hoeveelheid en hoedanigheid.
Levie heeft om tien uur een afspraak. Wanneer?
Odile gaat picknicken in het park. Waar?
De studiegenoten reizen naar Frankrijk. Waarheen?
De laptop kostte duizend euro. Hoeveel?
We gaan met de stadsdienst. Hoe?
In de zomertijd gaat Lucie vaak met de stadsbus naar haar werk.
gaat = werkwoordelijk gezegde
Lucie = onderwerp
In de zomertijd = bijwoordelijke bepaling van tijd (wanneer?)
vaak = bijwoordelijke bepaling van tijd (wanneer?)
met de stadsbus = bijwoordelijke bepaling van hoedanigheid en wijze (hoe?)
naar haar werk = bijwoordelijke bepaling van richting (waarheen?)
Nog enkele bijwoordelijke bepalingen:
Vanwege de drukte liep mijn vlucht een uur vertraging op.
Van reden Noud heeft daarom niets gekocht.
Omdat het morgen gaat sneeuwen, heb ik mijn afspraak afgezegd.
Van doel We haastten ons om op tijd aan te komen.
Van middel Met een aanhanger kon Adil al zijn spullen in een keer meenemen.
Ondanks de hitte waren we toch nog redelijk fit aan het eind van de dag.
Van toegeving
Hoewel het voorspeld was, probeerden we toch de storm te trotseren.
Van ontkenning Hafida denkt niet dat het ooit nog goed komt.