Lidwoord ³ ⁴
Er zijn in het Nederlands drie lidwoorden: de, het en een. We verdelen die lidwoorden in:
• bepaalde lidwoorden: de, het
de computer (we bedoelen een bepaalde computer, die ene computer)
het kind (we bedoelen een bepaald kind, dat ene kind)
• onbepaald lidwoord: een
een fototoestel (dat kan elk fototoestel zijn)
Een lidwoord staat altijd voor een zelfstandig naamwoord of voor een woord (of woordgroep) dat als
zelfstandig begrip voorkomt. Tussen lidwoord en zelfstandig naamwoord kan een bijvoeglijk
naamwoord staan.
Onder de bomen groeit het gras minder snel. (De lidwoorden staan direct voor het zelfstandig
naamwoord.)
Langs de Nederlandse snelwegen staan kilometerpaaltjes. (Tussen lidwoord en zelfstandig
naamwoord staat een bijvoeglijk naamwoord: Nederlandse.)
Luuk is benieuwd naar het reilen en zeilen van de artiest. (Het lidwoord het staat voor een
woordgroep.)
De storm kwam zo maar uit het niets. (Het lidwoord het staat voor een zelfstandig begrip.)
Er zijn in het Nederlands drie lidwoorden: de, het en een. We verdelen die lidwoorden in:
• bepaalde lidwoorden: de, het
de computer (we bedoelen een bepaalde computer, die ene computer)
het kind (we bedoelen een bepaald kind, dat ene kind)
• onbepaald lidwoord: een
een fototoestel (dat kan elk fototoestel zijn)
Een lidwoord staat altijd voor een zelfstandig naamwoord of voor een woord (of woordgroep) dat als
zelfstandig begrip voorkomt. Tussen lidwoord en zelfstandig naamwoord kan een bijvoeglijk
naamwoord staan.
Onder de bomen groeit het gras minder snel. (De lidwoorden staan direct voor het zelfstandig
naamwoord.)
Langs de Nederlandse snelwegen staan kilometerpaaltjes. (Tussen lidwoord en zelfstandig
naamwoord staat een bijvoeglijk naamwoord: Nederlandse.)
Luuk is benieuwd naar het reilen en zeilen van de artiest. (Het lidwoord het staat voor een
woordgroep.)
De storm kwam zo maar uit het niets. (Het lidwoord het staat voor een zelfstandig begrip.)