Een zelfstandig naamwoord is een woord waarvoor je de lidwoorden de, het of een kunt zetten. Het
zijn namen van mensen, dieren, planten, plaatsen, dingen en abstracte zaken. Ook eigennamen zijn
zelfstandige naamwoorden.
De appel valt niet ver van de boom.
Het dametje liep op het trottoir.
Een gans vliegt ’s winters naar een zuidelijk land.
Zij is niet meer de Sharon zoals ik haar leerde kennen. (Sharon is een eigennaam.)
Het Amsterdam van mijn grootouders is voorgoed verdwenen. (Amsterdam is een eigennaam.)
Andere kenmerken zijn:
1. Van veel zelfstandige naamwoorden kun je een verkleinwoord maken.
2. Een zelfstandig naamwoord kan zelfstandig een zinsdeel vormen.
3. Een zelfstandig naamwoord vormt de kern van een woordgroep.
4. Van de meeste zelfstandige naamwoorden kun je enkelvoud en meervoud maken.
1. Heb je een plank of een plankje nodig? (Van het zelfstandig naamwoord is een verkleinwoord
gemaakt.)
2. Mensen hebben altijd behoefte aan gezelligheid. (Het zelfstandig naamwoord
vormt zelfstandig een zinsdeel.)
3. De klassieke inrichting van het pas opgeleverde huis trekt geen jonge mensen aan. (Het
zelfstandig naamwoord vormt de kern van een woordgroep.)
4. Wil je één appel of lust je meer appels? (Van het zelfstandig naamwoord is meervoud
gemaakt.)