Een persoonlijk voornaamwoord verwijst naar een persoon, een groep personen, voorwerpen of
onzichtbare zaken. Persoonlijke voornaamwoorden komen uitsluitend zelfstandig voor:
je, jij, u, ik, ze, zij, jou, het, hij, mij, hem, haar, jullie, ons, hen, hun, wij.
Als we bij jou aan de deur kloppen, moet je wel reageren.
Ik wist niet dat de erfenis ook deels van ons was.
De leeuwen waren goed beschermd. Ze zaten in stevige kooien.
Waar is mijn fiets? Hij staat helemaal achteraan.
Jij hebt haar mijn telefoonnummer gegeven.
Let op: als het woord het betekenis heeft, noemen we dat ook een persoonlijk voornaamwoord.
Het is waar wat je zegt.
Weet je waar mijn schrift is? Nee, ik heb het niet gezien.
Hoe laat is het?
Je kan ook een bezittelijk voornaamwoord zijn. Voorbeeld: Karim heeft je boek meegenomen. In de
zin is je onderdeel van de woordgroep je boek. Hier is je geen persoonlijk voornaamwoord, want het
komt niet zelfstandig voor. Je is een bezittelijk voornaamwoord.