Een bezittelijk voornaamwoord geeft bezit aan.
We verdelen bezittelijke voornaamwoorden in:
• Niet-zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden: mijn, zijn, haar, jouw
Talitha heeft jouw handtas bewaard.
In mijn bagage zitten twee nieuwe T-shirts.
• Zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden: de mijne, de jouwe, de hare
Maik heeft de jouwe in zijn rugzak gestopt.
Het geslacht van een bezittelijk voornaamwoord komt overeen met het woord waarnaar verwezen
wordt.
Het dametje heeft haar hele leven last gehad van haar geringe lengte.
De uitsmijter heeft in zijn horecazaak nooit problemen.
Let op!
Dit is jouw tas. (jouw = bezittelijk voornaamwoord)
Deze is van jou. (jou = persoonlijk voornaamwoord)