Aanwijzend voornaamwoord ³ ⁴
Een aanwijzend voornaamwoord is een woord dat naar iets of iemand verwijst:
deze, dat, dit, die, zulke, zo’n, degene, datgene, diegene
Ik heb niet deze spullen, maar die gekocht.
Zo'n antwoord had ik niet verwacht.
Aanwijzende voornaamwoorden kunnen zelfstandig en niet-zelfstandig voorkomen.
• Zelfstandig
We zullen deze zorgvuldig opbergen. (bijvoorbeeld contracten)
Dit is niet iets waar je trots op mag zijn. (bijvoorbeeld schelden)
• Niet-zelfstandig
In tegenstelling tot dat moderne schilderij vind ik dit klassieke portret wel mooi.
Deze woordenlijst is completer dan alle andere.
Aanwijzende voornaamwoorden zijn gedeeltelijk gekoppeld aan de- en het-woorden:
• de-woorden: die, deze (komen het vaakst voor)
De speler zat er warmpjes bij; die doet het niet voor duizend euro per wedstrijd.
Vaak wordt deze universiteit als beste gewaardeerd. (de universiteit)
• het-woorden: dat, dit (komen het vaakst voor)
Je moet dat spotje op je schilderij richten. (het spotje)
Heb je dit in een webwinkel gekocht? (verwijst naar het sieraad)
Zo'n komt bij niet-zelfstandige de- en het-woorden voor.
Een aanwijzend voornaamwoord is een woord dat naar iets of iemand verwijst:
deze, dat, dit, die, zulke, zo’n, degene, datgene, diegene
Ik heb niet deze spullen, maar die gekocht.
Zo'n antwoord had ik niet verwacht.
Aanwijzende voornaamwoorden kunnen zelfstandig en niet-zelfstandig voorkomen.
• Zelfstandig
We zullen deze zorgvuldig opbergen. (bijvoorbeeld contracten)
Dit is niet iets waar je trots op mag zijn. (bijvoorbeeld schelden)
• Niet-zelfstandig
In tegenstelling tot dat moderne schilderij vind ik dit klassieke portret wel mooi.
Deze woordenlijst is completer dan alle andere.
Aanwijzende voornaamwoorden zijn gedeeltelijk gekoppeld aan de- en het-woorden:
• de-woorden: die, deze (komen het vaakst voor)
De speler zat er warmpjes bij; die doet het niet voor duizend euro per wedstrijd.
Vaak wordt deze universiteit als beste gewaardeerd. (de universiteit)
• het-woorden: dat, dit (komen het vaakst voor)
Je moet dat spotje op je schilderij richten. (het spotje)
Heb je dit in een webwinkel gekocht? (verwijst naar het sieraad)
Zo'n komt bij niet-zelfstandige de- en het-woorden voor.