Betrekkelijk voornaamwoord ³ ⁴
Een betrekkelijk voornaamwoord is een woord dat terugwijst naar iets of iemand of naar een vorige
zin. Betrekkelijke voornaamwoorden zijn:
dat, wat, die, wie, hetgeen, welke.
Deze voornaamwoorden kunnen verwijzen naar iets wat of iemand die al eerder voorkomt in de zin.
Het woord, de zin of het zinsdeel waarnaar het voornaamwoord terugwijst, noemen we antecedent.
(Het antecedent is onderstreept.)
Ik mail naar een heleboel vrienden die met mij gestudeerd hebben.
De dame, die volgens de laatste mode is gekleed, heeft geld genoeg.
Alles wat in de bak ligt, gaat voor tien euro weg.
Ze vergaderen tot diep in de nacht, wat geen uitzondering is.
Er zijn ook betrekkelijke voornaamwoorden met een ingesloten antecedent.
Wie het weet mag het zeggen.
Wie = degene die (degene is ingesloten antecedent)
Wat erin zit aan ingrediënten, is goedkoop.
Wat = dat wat (dat is ingesloten antecedent)
We verdelen betrekkelijke voornaamwoorden ook in:
1. Niet-zelfstandige betrekkelijke voornaamwoorden: dat, wat, die, hetgeen, welke*
Het kind dat daar loopt, is mijn neefje.
dat verwijst naar het kind.
dat = betrekkelijk voornaamwoord
Ik koop mijn producten bij kwaliteitszaken, hetgeen heel verstandig is.
hetgeen verwijst naar de hele voorgaande zin.
hetgeen = betrekkelijk voornaamwoord
Robin heeft me iets verteld wat ik niet durf te zeggen.
wat verwijst naar iets.
wat = betrekkelijk voornaamwoord
1. Zelfstandige betrekkelijke voornaamwoorden: het woord verwijst naar iemand die of iets wat
niet in de zin genoemd wordt.
Een betrekkelijk voornaamwoord is een woord dat terugwijst naar iets of iemand of naar een vorige
zin. Betrekkelijke voornaamwoorden zijn:
dat, wat, die, wie, hetgeen, welke.
Deze voornaamwoorden kunnen verwijzen naar iets wat of iemand die al eerder voorkomt in de zin.
Het woord, de zin of het zinsdeel waarnaar het voornaamwoord terugwijst, noemen we antecedent.
(Het antecedent is onderstreept.)
Ik mail naar een heleboel vrienden die met mij gestudeerd hebben.
De dame, die volgens de laatste mode is gekleed, heeft geld genoeg.
Alles wat in de bak ligt, gaat voor tien euro weg.
Ze vergaderen tot diep in de nacht, wat geen uitzondering is.
Er zijn ook betrekkelijke voornaamwoorden met een ingesloten antecedent.
Wie het weet mag het zeggen.
Wie = degene die (degene is ingesloten antecedent)
Wat erin zit aan ingrediënten, is goedkoop.
Wat = dat wat (dat is ingesloten antecedent)
We verdelen betrekkelijke voornaamwoorden ook in:
1. Niet-zelfstandige betrekkelijke voornaamwoorden: dat, wat, die, hetgeen, welke*
Het kind dat daar loopt, is mijn neefje.
dat verwijst naar het kind.
dat = betrekkelijk voornaamwoord
Ik koop mijn producten bij kwaliteitszaken, hetgeen heel verstandig is.
hetgeen verwijst naar de hele voorgaande zin.
hetgeen = betrekkelijk voornaamwoord
Robin heeft me iets verteld wat ik niet durf te zeggen.
wat verwijst naar iets.
wat = betrekkelijk voornaamwoord
1. Zelfstandige betrekkelijke voornaamwoorden: het woord verwijst naar iemand die of iets wat
niet in de zin genoemd wordt.