Present continuous
[B1] Je gebruikt de present continuous om uit te drukken dat iets ‘aan de gang is’. In het Nederlands
zeg je dan vaak ‘... ben/zijn aan het ...’ of ‘... zitten te ...’. De nadruk ligt dus op een activiteit die een
(korte) periode aan de gang is. De activiteit hoeft niet per se exact tijdens het moment van spreken
plaats te vinden.
What are you doing? > I’m checking the quarterly figures.
Wat ben je aan het doen? > Ik ben de kwartaalcijfers aan het controleren.
I’m reading a great book; I’ll send you the title.
Ik ben een geweldig boek aan het lezen (maar niet per se op dit moment); ik zal je de titel sturen.
Je maakt de present continuous met een vorm van to be (am, is, are) gevolgd door de ing-vorm van
het werkwoord.
Let op: er zijn bepaalde werkwoorden die je niet in een continuous vorm mag gebruiken,
zoals: believe, hate, have (=own), like, love, prefer, think (=have an opinion)
en understand. Bovendien worden de werkwoorden feel, hear, see, taste en smell meestal niet in
de continuous vorm gebruikt als ze gaan over het gebruik van onze zintuigen. Deze regels gelden voor
alle vormen van de continuous.
Je kunt deze vorm ontkennend maken door not tussen am/is/are en de ing-vorm van het werkwoord
te zetten.
Je kunt vragen maken met am/is/are + onderwerp + de ing-vorm van het werkwoord.
Let op: Behalve bij spreektaal of zeer informeel schrijven is het vaak ongepast om korte vormen te
gebruiken. Vermijd korte vormen:
• bij zakelijk of formeel schrijven
• na een naam of zelfstandig naamwoord
• na woorden zoals where, how, there, here, now enz.
Waar gepast worden in het algemeen de korte vormen isn’t/aren’t gebruikt na zelfstandige
naamwoorden (nouns) en 's (not) / 're (not) na voornaamwoorden (pronouns).
Our company is performing very well.
Onze onderneming presteert erg goed.
I’m not saying you should fire her, but perhaps a warning is in order here.
Ik zeg niet dat u haar moet ontslaan, maar een waarschuwing is misschien wel op zijn plaats.
[B1] Je gebruikt de present continuous om uit te drukken dat iets ‘aan de gang is’. In het Nederlands
zeg je dan vaak ‘... ben/zijn aan het ...’ of ‘... zitten te ...’. De nadruk ligt dus op een activiteit die een
(korte) periode aan de gang is. De activiteit hoeft niet per se exact tijdens het moment van spreken
plaats te vinden.
What are you doing? > I’m checking the quarterly figures.
Wat ben je aan het doen? > Ik ben de kwartaalcijfers aan het controleren.
I’m reading a great book; I’ll send you the title.
Ik ben een geweldig boek aan het lezen (maar niet per se op dit moment); ik zal je de titel sturen.
Je maakt de present continuous met een vorm van to be (am, is, are) gevolgd door de ing-vorm van
het werkwoord.
Let op: er zijn bepaalde werkwoorden die je niet in een continuous vorm mag gebruiken,
zoals: believe, hate, have (=own), like, love, prefer, think (=have an opinion)
en understand. Bovendien worden de werkwoorden feel, hear, see, taste en smell meestal niet in
de continuous vorm gebruikt als ze gaan over het gebruik van onze zintuigen. Deze regels gelden voor
alle vormen van de continuous.
Je kunt deze vorm ontkennend maken door not tussen am/is/are en de ing-vorm van het werkwoord
te zetten.
Je kunt vragen maken met am/is/are + onderwerp + de ing-vorm van het werkwoord.
Let op: Behalve bij spreektaal of zeer informeel schrijven is het vaak ongepast om korte vormen te
gebruiken. Vermijd korte vormen:
• bij zakelijk of formeel schrijven
• na een naam of zelfstandig naamwoord
• na woorden zoals where, how, there, here, now enz.
Waar gepast worden in het algemeen de korte vormen isn’t/aren’t gebruikt na zelfstandige
naamwoorden (nouns) en 's (not) / 're (not) na voornaamwoorden (pronouns).
Our company is performing very well.
Onze onderneming presteert erg goed.
I’m not saying you should fire her, but perhaps a warning is in order here.
Ik zeg niet dat u haar moet ontslaan, maar een waarschuwing is misschien wel op zijn plaats.