B
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Onderdeel A Renaissance en Gouden Eeuw
Vraag 1
A. Van wanneer tot wanneer spreekt men over de renaissance? (1)
B. Waar begon de renaissance? (1)
C. Geef de betekenis van het begrip renaissance en leg uit waarom deze naam voor deze
periode wordt gebruikt. (2)
D. Hoe is de renaissance ontstaan? Geef een uitgebreide omschrijving van het begrip en
in hoeverre dit een verandering was ten opzichte van de middeleeuwen. (2)
E. Wat waren de idealen als je kijkt naar opdracht D? (1)
Vraag 2
A. Er zijn 4 periodes geweest die een grote invloed hadden op de literatuur. Geef de
namen van de 4 periodes en leg uit wat er gedurende die periode centraal stond.
(Voorbeeld: middeleeuwen --- openbaring) (2)
Vraag 3
A. De renaissance kent 3 kenmerken, welke 3? Geef bij ieder kenmerk een korte
toelichting waarom dit een typerend kenmerk is van de renaissance. (3)
Vraag 4
A. Wanneer werd de boekdrukkunst uitgevonden? (1)
B. De literatuur veranderd erg ten opzichte van de voorgaande jaren. Welke kenmerken
waren typerend voor de literatuur uit de renaissance? Noem er 4. (2)
C. Welke toneelspelen kent men uit de renaissance? (1)
Vraag 5
A. De Gouden Eeuw was een bloeiperiode in de handel, kunst en wetenschap.
Amsterdam werd een wereldstad genoemd. Toch kreeg Nederland te maken met
Spanje, dat leidde tot de 80-jarige oorlog. Deze oorlog heeft mensen nog iets
bijgebracht en leidde tot idealen. Welke? (2)
B. Er werden in deze periode veel liederen geschreven. Leg uit waarom dit het geval was
en geef een voorbeeld van een lied. (2)
Vraag 6
A. Geef een korte omschrijving van het Wilhelmus. (2)
, Onderdeel B Poëzie
Vraag 1
A. Wat verstaan we onder beeldspraak? (1)
B. Benoem van onderstaande fragmenten de vorm van beeldspraak. (4)
1. Met lood in zijn schoenen begon hij de wedstrijd.
2. Hij heeft zijn ijzers al ondergebonden en is klaar voor de schaatstocht.
3. Deze zomer zijn die schreeuwende kleuren in de mode.
4. Het peloton is pas aan de voet van de berg.
Vraag 2
A. Benoem van onderstaande fragmenten de stijlfiguren. (4)
1. Door de orkaan zijn heel wat mensen van huis en haard verdreven.
2. Het Nederlandse hardlopen holt achteruit.
3. Mijn opa heeft het tijdelijke met het eeuwige verwisseld.
4. Het toestel maakte een prachtige duikvlucht naar beneden.
Vraag 3
A. Benoem het rijmschema van onderstaand gedicht. Spreken we over omarmend rijm,
gepaard rijm of gekruist rijm? (2)
B. Wat voor soort rijm is het? (1)
C. Welke beeldspraak kun je ontdekken? (1)
D. En welk stijlfiguur komt naar voren? (1)
E. Wat is het thema van het gedicht? (2)
F. Geef een parafrase van onderstaand gedicht. (2)
Indien men poocht mijn hart van mijn liefs hart te scheijden,
ik ducht het niet t'sal zijn dan schadeleijke moeyt:
Want scheuren soumen eer de harten van ons beyden,
als scheijden op de plaets daer zy zijn tseam ghegroeyt.
Mijn brandt trock uyt haer hart om't miyne te verzachten,
soete goedwillichheyt een verfrischende douw;
Waermee mijn hart bedouwt is vruchtbaer van ghedachten,
die niet dan knielen steach voor't outer van mijn Vrouw.
Vraag 4
A. Wat is het thema van dit embleem? (2)
B. Benoem de drie elementen van het embleem en leg per element uit hoe ze het thema
ondersteunen. (4)
Daer Schuylt
Met lecker 'hoop de Min staet om te locken breedt; Maer 't Aes bedeckt den Hoeck: vast ismen eermen 't
weet.