Verplichte arresten Handelsrecht
Edwin van der Velde Rijksuniversiteit Groningen
,Handelsrecht Arresten 2016/2017
Inhoudsopgave
Week 1 .................................................................................................................................. 3
Week 2 .................................................................................................................................. 3
Week 3 .................................................................................................................................11
Week 4 .................................................................................................................................14
Week 5 .................................................................................................................................25
Week 6 .................................................................................................................................28
Edwin van der Velde Rijksuniversiteit Groningen
,Handelsrecht Arresten 2016/2017
Week 1
Naam Damen/Geho
Rechtsvraag Mogen derden afgaan op hetgeen in het handelsregister (bijv. omtrent
eigendom van een onderneming) is ingeschreven, waardoor derden
zich kunnen verhalen op personen die onjuist als eigenaar staan
ingeschreven en zorg hadden moeten dragen voor uitschrijving/juiste
inschrijving?
Antwoord Ja.
Essentie/conclusie De in die bepaling (art. 25 Hrgw) genoemde inschrijvingsplichtigen
kunnen aan de daar bedoelde derden de onjuistheid of onvolledigheid
van de inschrijving niet tegenwerpen — moeten dus de ingeschreven
gegevens tegen zich laten gelden — ongeacht of die derden in
vertrouwen op de inschrijving hebben gehandeld dan wel eerst later
het handelsregister hebben geraadpleegd. Het belang van het
handelsverkeer noopt daartoe.
Context/Illustratie bij In dit arrest verwerpt de HR de stelling dat art. 31 lid
3/25 Handelsregisterwet slechts bescherming zou bieden aan hen die
op grond van inzage in het handelsregister tot een onjuiste
voorstelling van zaken zijn gekomen. Deze stelling is duidelijk in
strijd met de tekst en met de ratio van de bepaling (WCL van der
Grinten)
Week 2
Naam Staleman/Van de Ven
Rechtsvraag Wanneer is sprake van onbehoorlijk bestuur als bedoeld in art. 2:9
BW? Hoever reikt decharge?
Antwoord Zie essentie.
Essentie/conclusie Voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW is vereist dat aan
de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of in een
bepaald geval plaats is voor een ernstig verwijt als hier bedoeld, dient
te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het
geval (zie voor de in aanmerking te nemen omstandigheden nader het
arrest).
Het betoog dat een uit de vaststelling van de jaarrekening
voortvloeiende décharge zich, althans in beginsel, ook uitstrekt tot
hetgeen de aandeelhouders redelijkerwijze konden weten dan wel tot
hetgeen waarop zij, mede gelet op de hun verstrekte informatie,
bedacht konden zijn en dat dit laatste ook geldt voor een expliciete
décharge is onjuist, omdat het aan die décharges een ruimere werking
toekent dan met de aard van een dergelijk ontslag van
aansprakelijkheid overeenstemt. In het bijzonder strekt een décharge
zich niet uit tot informatie waarover een individuele aandeelhouder
uit anderen hoofde — buiten het verband van de algemene
vergadering van aandeelhouders — de beschikking heeft gekregen, of
tot gegevens die niet uit de jaarrekening blijken of niet anderszins aan
de algemene vergadering van aandeelhouders zijn bekendgemaakt
voordat deze de jaarrekening vaststelde
Context/Illustratie bij Ernstig verwijt noodzakelijk voor bestuurdersaansprakelijkheid;
reikwijdte decharge
Edwin van der Velde Rijksuniversiteit Groningen
, Handelsrecht Arresten 2016/2017
Naam Holding Nutsbedrijf Westland
Rechtsvraag Geldt de ernstige verwijtbaarheid als criterium voor
bestuurdersaansprakelijkheid ook in het kader van art. 6:162 BW
(aansprakelijkheid jegens rechtspersoon: interne aansprakelijkheid)?
Antwoord Ja
Essentie/conclusie De Hoge Raad heeft herhaaldelijk geoordeeld dat voor de
aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW is vereist dat aan de
bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt en dat de vraag of
er sprake is van een ernstig verwijt beoordeeld dient te worden aan de
hand van alle omstandigheden van het geval.19. De maatstaf voor
aansprakelijkheid van een bestuurder op grond van art. 2:9 BW,
ernstige verwijtbaarheid, ligt hoger dan de schuldmaatstaf in art.
6:162 lid 3 BW. Onrechtmatig handelen (in de zin van art. 6:162 BW)
alleen is dus niet voldoende voor aansprakelijkheid op grond van art.
2:9 BW, er moet sprake zijn van ernstig verwijtbaar handelen. Of er
sprake is van ernstig verwijtbaar handelen hangt sterk af van de
omstandigheden van het geval en het moment waarop de
desbetreffende handelingen werden verricht. In de wetgeschiedenis en
literatuur is geen eenduidige definitie te vinden van wat onder ernstig
verwijtbaar handelen van een bestuurder kan worden verstaan. In de
literatuur is wel betoogd dat, wanneer het risico van
belangenverstrengeling dreigt, de bestuurder een aanmerkelijk
kleinere foutmarge toe komt dan normaal het geval, van ernstig
onzorgvuldig handelen zal in die gevallen veel sneller sprake zijn dan
in gevallen waarin een loyale bestuurder financiële of strategische
keuzes maakt in het belang van de vennootschap.20. Betoogd wordt
ook dat in het geval van gedragingen die liggen in het domein van de
bestuursvrijheid de rechterlijke toetsing slechts marginaal mag zijn en
aansprakelijkheid pas mag worden aangenomen wanneer er sprake is
van ernstig bestuurlijk tekortschieten.21.De ‘zware’ bewijslast van
ernstig verwijtbaar handelen in de zin van art. 2:9 BW rust op de
rechtspersoon. Art. 2:9 BW is op grond van art. 2:25 BW van
dwingend recht en de strenge toerekeningsmaatstaf in art. 2:9 BW kan
dus niet door partijen worden uitgesloten of worden aangepast. Deze
strenge maatstaf is alleen van toepassing op de rechtsverhouding
tussen de bestuurder en de rechtspersoon, de externe
aansprakelijkheid van de bestuurder wordt wel beheerst door art.
6:162 BW en de schuldmaatstaf in art. 6:162 lid 3 BW.
Context/Illustratie bij Maatstaf art. 6:162 ingekleurd door art. 2:9: ernstige verwijtbaarheid
in beide gevallen.
Naam Berghuizer Papierfabriek
Rechtsvraag Hoe is de bewijslast verdeeld bij art. 2:9 BW?
Antwoord Zie essentie
Essentie/conclusie Voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW is vereist dat aan
de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of van een
ernstig verwijt sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van
alle omstandigheden van het geval. De omstandigheid dat gehandeld
is in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te
beschermen, moet in dit verband als zwaarwegende omstandigheid
worden aangemerkt die in beginsel de aansprakelijkheid van de
bestuurder vestigt. Indien de aldus aangesproken bestuurder echter
feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou
Edwin van der Velde Rijksuniversiteit Groningen