Bestuursrecht 3 Collegeaantekeningen
Edwin van der Velde Rijksuniversiteit Groningen
,Bestuursrecht 3 Collegeaantekeningen 2016/2017
Inhoudsopgave
Inhoudsopgave....................................................................................................................... 2
Bestuursrecht 3 week 1 (18-4-2017, De bevoegdheid van de bestuursrechter) ................... 3
Omvang/afbakening van de bevoegdheid van de bestuursrechter ................................... 3
Bevoegdheidsverdeling tussen verschillende bestuursrechters ........................................ 3
Gebruik door de bestuursrechter van diens bevoegdheid .................................................. 4
Bestuursrecht 3 week 2 (25-4-2017, Ontvankelijkheid en voorprocedures) ........................ 4
Ontvankelijkheid................................................................................................................... 4
Voorprocedures ...................................................................................................................... 5
Bestuursrecht 3 week 3 (2-5-2017, De procedure bij de rechter) .......................................... 7
Het verloop van de procedure .............................................................................................. 7
De omvang van het geding ................................................................................................... 8
Bestuursrecht 3 week 4 (9-5-2017, De procedure bij de rechter) .......................................... 9
Omvang van het geding (vervolg) ........................................................................................ 9
Toetsing................................................................................................................................ 11
Bestuursrecht 3 week 5 (16-5-2017, Uitspraak. Tijdige en finale geschilbeslechting) ..... 13
Uitpsraak ............................................................................................................................. 13
Tijdige en finale geschilbeslechting ................................................................................... 14
Bestuursrecht 3 week 6 (31-5-2017, Hoger beroep en voorlopige voorziening) ................. 16
Hoger beroep ........................................................................................................................ 16
Voorlopige voorziening........................................................................................................ 17
Bestuursrecht 3 week 7 (6-6-2017, Bevoegdheidsverdeling civiele en bestuursrechter) .. 19
Gebruikersperspectief ......................................................................................................... 19
Burger tegen burger, burger tegen overheid, overheid tegen burger ............................. 19
Rechtsmachtverdeling bezien vanuit de Awb ................................................................... 19
Rechtsmachtverdeling bezien door de civiele rechter ...................................................... 19
Civiele rechter bevoegd, maar bestuursrechtelijke voorprocedure: de klachtprocedure
.............................................................................................................................................. 20
De wetgever kan niet kiezen: schade ................................................................................ 20
Edwin van der Velde Rijksuniversiteit Groningen
,Bestuursrecht 3 Collegeaantekeningen 2016/2017
Bestuursrecht 3 week 1 (18-4-2017, De bevoegdheid van de
bestuursrechter)
Omvang/afbakening van de bevoegdheid van de bestuursrechter
Art. 8:1 Awb bepaalt dat een belanghebbende tegen een besluit beroep in kan stellen bij de
bestuursrechter. Zodoende is een bestuursrechter bevoegd ter zake van geschillen over besluiten.
Voordat men echter in beroep kan moet men doorgaans in bezwaar bij het bestuursorgaan dat het
primaire besluit heeft genomen. Het bestuursrecht omvat echter meer dan alleen het nemen van
besluiten door bestuursorganen. Daarom moet men zich beseffen dat de rechter geen bevoegdheid
heeft inzake alle overheidshandelingen, maar alleen ten aanzien van besluiten.
Er zijn twee beperkingen met betrekking tot de bevoegdheid van de bestuursrechter. Ten eerste kan
een belanghebbende dus alleen bij de bestuursrechter terecht als zijn beroep zich richt tegen een
besluit. Ten tweede kan ook niet tegen alle besluiten worden opgekomen bij de bestuursrechter (zoals
algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels, zie art. 8:3 e.v.). Een verruiming van de
bevoegdheid van de bestuursrechter is dat men soms toch bij de bestuursrechter terecht kan, ook als
richt het beroep zich niet tegen een besluit.
De voorgenoemde beperkingen kunnen worden vervat in de volgende opsomming. Deze
beslissingen dan wel besluiten zijn dus niet zelfstandig appellabel:
Art. 6:3 met betrekking tot voorbereidingsbeslissingen;
Art. 8:3 lid 1 sub a met betrekking tot algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels;
Art. 8:4, die expliciet uitgezonderde besluiten bevat;
Art. 8:5, die uitgezonderde besluiten bevat waarbij wordt verwezen naar art. 1
Bevoegdheidsregeling Bestuursrechtspraak (BB).
De voorgenoemde verruimingen kunnen worden vervat in de volgende opsomming. Deze
beslissingen dan wel besluiten zijn dus wel zelfstandig appellabel:
Art. 1:3 lid 2, die de afwijzing van een aanvraag als beschikking en derhalve als een besluit
beschouwt (ondanks dat geen sprake is van een rechtsgevolg), zodat beroep toch mogelijk is;
Art. 6:2a, die schriftelijke weigeringen een besluit te nemen voor bezwaar en beroep gelijkstelt
met een besluit;
Art. 6:2b, die het niet tijdig nemen van een besluit voor bezwaar en beroep gelijkstelt met een
besluit;
Art. 8:2 lid 1, die andere handelingen dan louter besluiten ten aanzien van ambtenaren
appellabel maakt.
De bevoegdheid van de bestuursrechter is afgebakend van die van de straf- en civiele rechter. Zie
bijvoorbeeld art. 1:6 Awb, waarin de Awb niet van toepassing wordt geacht op strafvervolging. De
bestuursrechter oordeelt echter ook over bestraffende sancties door bestuursorganen (niet alleen over
andere beschikkingen. Zo oordeelt de bestuursrechter over materieel strafrecht. Dit geldt ook voor het
civiele recht, omdat de bestuursrechter kan oordelen over schade ten gevolge van beschikkingen
(materieel civiel recht).
Aan de andere kant oordeelt de civiele rechter over bijvoorbeeld beleidsregels en
bestuurswetgeving. Overeenkomsten met de civiele procedure zijn dat grofweg dezelfde soorten
verzoeken kunnen worden gedaan, maar het verschil is gelegen in de termijnen, de
procesvertegenwoordiging en het procesrisico.
Bevoegdheidsverdeling tussen verschillende bestuursrechters
Bestuursrechtspraak is in beginsel geregeld in drie instanties. Wel begint men in beginsel bij de
rechtbank (art. 8:1 jo. 8:6 Awb, behoudens uitzondering in de bevoegdheidsregeling
bestuursrechtspraak), waarna verschillende beroepsmogelijkheden zijn (art. 8:105 bij de Afdeling
bestuursrechtspraak en eventueel een bijzondere bestuursrechter ex de Bevoegdheidsregeling
bestuursrechtspraak).
Edwin van der Velde Rijksuniversiteit Groningen
, Bestuursrecht 3 Collegeaantekeningen 2016/2017
Gebruik door de bestuursrechter van diens bevoegdheid
De primaire taak van de bestuursrechter is het oordelen over besluiten (art. 8:1). Volgens de nieuwe
zaaksbehandeling moet de rechter echter zoveel mogelijk een oplossing proberen te vinden voor het
(onderliggende) probleem tussen bestuursorgaan en burger. De sleutel voor het oplossen van
conflicten is gelegen in de standpunten versus belangen: de belangen moeten uit de standpunten
worden gedestilleerd en deze moeten worden verenigd. Drie belangen die bij een conflict een rol
spelen zijn relationele, materiële, principiële. Volgens Hirschman zijn drie opties in een conflict
loyalty (toegeven), exit (vermijden) en voice (verdedigen). Volgens de dual concern theory zijn vier
bijbehorende strategieën contending, yielding, avoiding en problem solving. Als men weinig waarde
hecht aan het eigen belang en veel resp. weinig aan het belang van de ander kiest men respectievelijk
voor avoiding en yielding. Als men veel waarde hecht aan het eigen belang en veel resp. weinig aan
het belang van de ander kiest men respectievelijk voor contending en problem solving. De
bestuursrechter kiest steeds vaker voor problem solving. Als het daar al te laat voor is, kan de burger
worden verleid tot yielding.
Bestuursrecht 3 week 2 (25-4-2017, Ontvankelijkheid en
voorprocedures)
Bevoegdheid en ontvankelijkheid zijn zaken die ambtshalve door het bestuursorgaan en de rechter
worden getoetst.
Ontvankelijkheid
Er zijn grofweg vijf ontvankelijkheidseisen:
1. Bezwaar- of beroepsbevoegdheid: betrokkene moet belanghebbende zijn ex art. 1:2 om bij de
bestuursrechter te kunnen procederen. Ook moet betrokkene een procesbelang hebben. Door
een verhuizing of alsnog toekenning door het bestuursorgaan van hetgeen de betrokkene
verzocht kan het procesbelang verdwijnen;
2. Bezwaar- en beroepstermijn: de bezwaar- en beroepstermijn is 6 weken (art. 6:7 Awb). Deze
termijn vangt aan op de dag na de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is
bekendgemaakt (art. 3:41 en 42 Awb). Bekendmaking van beschikkingen geschiedt door
toezending of uitreiking. Bekendmaking van besluiten van algemene strekking worden
bekendgemaakt in de Staatscourant bij besluiten van de centrale overheid en in dagbladen bij
besluiten van decentrale overheden. NB: mededelingen van het besluit zijn voor de aanvang
van de termijn niet van belang, maar juist de bekendmaking. Ook de ontvangst is irrelevant,
maar de toezending of uitreiking (bij beschikkingen). Het einde van de termijn is geregeld in
art. 6:9 Awb. Uit die bepaling is af te leiden dat de laatste dag van de termijn dezelfde
weekdag van toezending of uitreiking is. Verder moet de algemene termijnenwet in acht
worden genomen: als het einde van de termijn een zaterdag, zondag of erkende feestdag is,
dan wordt het einde van termijn doorgeschoven naar de eerstvolgende dag die niet een
dergelijk dag is;
Een bezwaar of beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het eind van de termijn door het
bestuursorgaan is ontvangen (art. 6:9 lid 1 Awb). Bij postverzending via PostNL geldt lid 2:
dan is ook tijdig ingediend als voor het eind van de termijn is verzonden en minder dan een
week na het einde van de termijn is ontvangen. Ook is indiening per fax of e-mail mogelijk
met een bestuursorgaan en de rechter (Afdeling 2.3 Awb en 6:9 lid 1 jo. 8:40a Awb). Bij
digitale communicatie geldt dus alleen de ontvangsttheorie. Als iemand stelt dat een bepaald
besluit niet is ontvangen, moet het bestuursorgaan aannemelijk maken dat het besluit is
verzonden (via de verzendadministratie). Vervolgens moet de burger niet ongeloofwaardig
ontkennen dat het besluit is ontvangen. Het enkel stellen dat de postbezorging wel eens
gebreken vertoont, is daarvoor niet voldoende. Mocht de burger toch aannemelijk maken dat
hij niet heeft ontvangen, dan is het weer aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat
desondanks is verzonden. Verder is een poststempel van belang, die dient ter bewijs van het
verzendmoment. Als de poststempel onleesbaar is, is het bezwaar- of beroepschrift toch tijdig
Edwin van der Velde Rijksuniversiteit Groningen