Owg 1 Poging en voorbereiding
- HR 13 maart 2001, LJN AB0494 (Inbeslaggenomen heroïne)
De voorbereiding of bevordering van een misdrijf als bedoeld in het derde of vierde lid
van art. 10 van de Opiumwet is in art. 10a, eerste lid, van de Opiumwet dus als
zelfstandig delict strafbaar gesteld. Voor de verwezenlijking van dat delict is niet vereist
dat van de handelingen reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk
concreet misdrijf (als bedoeld in het derde of vierde lid van art. 10) deze dienen. Indien
de voorbereidings- of bevorderingshandelingen wèl gericht zijn op een misdrijf dat in de
voorstelling van de verdachte concrete vormen heeft aangenomen, ontneemt het enkele
feit dat de voorbereidingshandelingen niet meer kunnen dienen om het begaan van juist
dat concrete misdrijf voor te bereiden of te bevorderen omdat inmiddels ingetreden
omstandigheden aan de verwezenlijking van dat misdrijf in de weg staan, aan die
handelingen niet hun zelfstandig strafbare karakter. Dat geldt ook als met die
voorbereidings- of bevorderingshandelingen een begin is gemaakt nadat die
verhinderende omstandigheid zich heeft voorgedaan, zoals hier de inbeslagneming van
de door het Hof bedoelde heroïne.
- HR 3 maart 2009, NJ 2009, 236 m.nt. Keijzer (Doorgesneden remkabel)
Art. 46b Sr, vrijwillige terugtred. Verdachte snijdt remkabel van een auto door. Ruim een
uur later waarschuwt hij de eigenaresse van de auto. HR herhaalt relevante overweging
uit HR LJN AZ6709. Bij de beantwoording van de vraag of verdachte zodanig heeft
gehandeld dat zijn handelen naar aard en tijdstip geschikt is om het intreden van het
gevolg te beletten, is mede van belang of en zo ja in welke mate het waarschijnlijk is
dat het gevolg zou zijn ingetreden ná de uitvoeringshandeling maar vóór de
gedraging waarop het beroep is gebaseerd. Hoe waarschijnlijker een dergelijk
intreden van het gevolg is, des te minder ligt het in de rede om vrijwillige
terugtred aan te nemen. ’s Hofs verwerping van het beroep op vrijwillige terugtred
geeft danwel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, danwel is niet zonder meer
begrijpelijk.
- HR 17 november 2009, LJN BJ3566 (Poging hennepteelt)
Zodra er plantjes zijn is er geen sprake meer van poging maar van een voltooid
delict. Een formeel misdrijf wordt immers niet voltooid door het intreden van
enig gevolg, maar door het enkele verrichten van de delictuele handeling. Daarbij
geldt dat het misdrijf voltooid is zodra een begin is gemaakt met die handeling.
Wie begonnen is te vervoeren, vervoert en wie begonnen is met telen, teelt. Van
een poging is dan geen sprake meer, ook niet als de dader het vervoerde goed
nog maar een meter heeft verplaatst en als de geplante stekjes nog geen
centimeter zijn gegroeid. Bij de strafbaarheid van de poging tot een formeel
omschreven misdrijf gaat het dus noodzakelijkerwijs om een gedraging die
voorafgaat aan de handeling zoals die in de delictsomschrijving is omschreven.
Dat wringt een beetje: de strafbaarheid van de poging impliceert hier dat met de
uitvoering van het misdrijf een begin kan zijn gemaakt zonder dat de dader met
de strafbaar gestelde handeling is begonnen. Dat heeft iets ongemakkelijks: een
handeling die niet onder de delictsomschrijving valt, wordt via art. 45 Sr toch
onder het bereik van de strafwet gebracht.