twintigste eeuw
Welke periode? 1900-1950
Welke kunststromingen? Expressionisme: gevoelens/emoties
afbeelden die je niet direct ziet
Primitivisme: streven terug te keren naar
een primitieve, onbeschaafde wereld(deze
was volgens hen puur)
Futurisme: snelheid, energie, nieuwe
technologie
De Stijl: eenvoudige vormgeving met
primaire kleuren, zwart en wit.
Kubisme: losse, hoekige fragmenten. Kubist
wil meer dan alleen de buitenkant laten zien
Dadaïsme: teniet doen van elke theorie,
‘anti-kunst’, keert tegen oorlog en
nationalisme
Surrealisme: droombeelden, een
onwerkelijke situatie natuurgetrouw
schilderen
Fauvisme: vorm expressionisme, felle
nauwelijks gemengde kleuren
Jugendstil: decoratief, geïnspireerd door de
natuur
Ontwikkelingen in muziek, theater, dans, Muziek
bouwkunst en beeldende kunst Schönberg: breekt regels harmonieleer
atonale muziek(dissonant),
twaalftoonsysteem oproepen en
benadrukken emoties
Ragtime: bas en melodie gaan ritmisch
tegen elkaar in
Blues: laag tempo, blue notes, dirty
intonation
Jazz: veel op improvisatie gebaseerd, veel
swingerig dan ragtime en blues
Theater/dans
Les Ballets Russes: waardering niet-
westerse cultuur, primitieve bewegingen,
impressionistische muziek veel ophef
Skating Rink: dansers doen in bewegingen
alsof ze op wieltjes staan
Constructivistisch theater: hoog tempo,
mechanische bewegingen door
dansers(biomechanica)
Episch theater: emotie van personage niet
van belang, publiek tot denken zetten
vervreemdingseffecten
Nô-theater: spelers worden van