‘Grondtrekken van het Nederlandse strafrecht’
Week 1 – hoofdstuk 1 en 2
Strafrecht houdt zich bezig met het bestraffen van personen die een strafbaar feit hebben
gepleegd. De Staat heeft het monopolie op straffen.
Burgers kunnen elkaar niet dagvaarden. Dat doet de officier van justitie.
OvJ vertegenwoordiger van het OM dat belast is met de vervolging van verdachten.
Doelen van straffen:
1. Vergelding
2. Preventie
Vergelding: zorgt voor morele genoegdoening; hij moet voelen dat hij een strafrechtelijke norm
heeft overschreden.
Preventie: 2 soorten:
- Generale preventie schrikt mensen af
- Speciale preventie zorgt ervoor dat de dader het zelf niet meer zal doen
Voorwaardelijke straffen worden niet ten uitvoer gelegd op voorwaarde dat de veroordeelde
in de proeftijd niet nog iets strafbaars doet.
Strafrecht:
- Materieel recht wat is een strafbaar feit; Wetboek van Strafrecht
- Formeel recht bepaalt welke regels moeten worden gevolgd wanneer een norm is
overtreden; Wetboek van Strafvordering
- Sanctierecht betrekking op de voorwaarden waaronder bepaalde straffen mogen
worden opgelegd en ten uit voer gelegd; Wetboek van Strafrecht en Strafvordering
Commune strafrecht strafrecht dat in de wetboeken is opgenomen.
Bijzondere strafrecht/strafwetten bijvoorbeeld Opiumwet of Wet wapens en munitie.
Strafbepaling in de meest volledige vorm:
- Delictsomschrijving (welk ongewenst gedrag de wetgevers strafbaar wil stellen)
- Kwalificatie-aanduiding (hoe het gedrag juridisch wordt genoemd)
- Strafbedreiging (welk soort straf mag worden opgelegd met het maximum)
Strafbaar feit menselijke gedraging die valt binnen de grenzen van een wettelijke
delictsomschrijving, die wederrechtelijk is en aan schuld te wijten. 4 componenten:
1. Menselijke gedraging (MG)
2. Wettelijke delictsomschrijving (DO)
3. Wederrechtelijkheid (W)
4. Schuld (V van verwijtbaarheid)
Dit heet het vierlagenmodel.
Menselijke gedraging:
De gedraging moet verricht zijn door een mens, niet een dier. Dit kunnen natuurlijke personen of
rechtspersonen zijn.
Het moet daarnaast een gedraging zijn, dus geen gedachte bijvoorbeeld. Ook het nalaten van een
gedraging valt onder een gedraging.
De rechter bepaalt uiteindelijk of er kan worden bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde
feit heeft gepleegd; art. 350 Sv. Anders vrijspraak; art. 352 lid 1 Sv
1