H9 Gedragsbiolgie
Leerdoel 1: Begrippen
Aangeboren gedrag: nature, genen = erfelijk
Aangeleerd gedrag: nurture, omgeving = door het milieu
Altruïsme: opofferen voor soortgenoten, vooral vrouwtjes waarschuwen, want mannetjes bevinden
zich in vreemde omgeving met andere niet familie. Dit gedrag draagt bij aan fitness van het dier ->
genen doorgegeven.
Ambivalent gedrag: twee gedragssystemen even sterk en afwisseling tussen systemen
(aanvallen/vluchten)
Balts: gedrag voorafgaand aan paren, 2 functies:
- bereidheid paren bij beide partners vergroten (zeker van zijn zelfde soort), alleen juiste
bewegingen om paring voort te zetten
- kans om betere partner te kiezen -> man van beste kant laten zien (goed gezond)
Broedzorg: zorg van (een van) de ouders voor hun jongen
Conflictgedrag: meerdere gedragssystemen tegelijk opgewekt: ambivalent gedrag, omgericht gedrag
en overspronggedrag
Drempelwaarde: aantekeningen (wanneer iets/iemand beslist iets te gaan doen wat de uiteindelijke
prikkel geeft)
Ethogram: gecodeerde beschrijving van gedrag van dier in bepaalde situatie
Ethologie: natuurlijk gedrag observeren en beschrijven
Fitness: geschiktheid om te overleven
Gedragselement: aantekeningen (beweging/handeling die dier uitvoert)
Gedragsketen: aantekeningen (handelingen die elkaar opvolgen)
Gedragssysteem: aantekeningen (gedragsketens samen = groep samenhangende handelingen)
Gewenning: dier leert uit ervaring zonder dat er een nieuwe reflex ontstaat, soms ook afleren van
gedrag (kat niet altijd meer bang voor grote hond achter tralies)
Imitatie: leren door naar anderen te kijken en ze na te doen -> tradities ontstaan
Inprenting: leerproces (meestal) in de vroege jeugd, het geleerde wordt niet meer afgeleerd
Instinct: natuurdrift; neiging tot handelen, onafhankelijk van het verstand
Inzicht: intelligentie
Klassiek conditioneren: leerproces waarbij als gevolg van een prikkel bepaald gedrag aangeleerd
wordt, dat oorspronkelijk niet door die prikkel werd veroorzaakt (Pavlov-effect)
Leren: aangeboren en aangeleerd gedrag
Motivatie: inwendige toestand bepaald motivatie (hongerig of niet/geslachtshormonen in bloed)
Leerdoel 1: Begrippen
Aangeboren gedrag: nature, genen = erfelijk
Aangeleerd gedrag: nurture, omgeving = door het milieu
Altruïsme: opofferen voor soortgenoten, vooral vrouwtjes waarschuwen, want mannetjes bevinden
zich in vreemde omgeving met andere niet familie. Dit gedrag draagt bij aan fitness van het dier ->
genen doorgegeven.
Ambivalent gedrag: twee gedragssystemen even sterk en afwisseling tussen systemen
(aanvallen/vluchten)
Balts: gedrag voorafgaand aan paren, 2 functies:
- bereidheid paren bij beide partners vergroten (zeker van zijn zelfde soort), alleen juiste
bewegingen om paring voort te zetten
- kans om betere partner te kiezen -> man van beste kant laten zien (goed gezond)
Broedzorg: zorg van (een van) de ouders voor hun jongen
Conflictgedrag: meerdere gedragssystemen tegelijk opgewekt: ambivalent gedrag, omgericht gedrag
en overspronggedrag
Drempelwaarde: aantekeningen (wanneer iets/iemand beslist iets te gaan doen wat de uiteindelijke
prikkel geeft)
Ethogram: gecodeerde beschrijving van gedrag van dier in bepaalde situatie
Ethologie: natuurlijk gedrag observeren en beschrijven
Fitness: geschiktheid om te overleven
Gedragselement: aantekeningen (beweging/handeling die dier uitvoert)
Gedragsketen: aantekeningen (handelingen die elkaar opvolgen)
Gedragssysteem: aantekeningen (gedragsketens samen = groep samenhangende handelingen)
Gewenning: dier leert uit ervaring zonder dat er een nieuwe reflex ontstaat, soms ook afleren van
gedrag (kat niet altijd meer bang voor grote hond achter tralies)
Imitatie: leren door naar anderen te kijken en ze na te doen -> tradities ontstaan
Inprenting: leerproces (meestal) in de vroege jeugd, het geleerde wordt niet meer afgeleerd
Instinct: natuurdrift; neiging tot handelen, onafhankelijk van het verstand
Inzicht: intelligentie
Klassiek conditioneren: leerproces waarbij als gevolg van een prikkel bepaald gedrag aangeleerd
wordt, dat oorspronkelijk niet door die prikkel werd veroorzaakt (Pavlov-effect)
Leren: aangeboren en aangeleerd gedrag
Motivatie: inwendige toestand bepaald motivatie (hongerig of niet/geslachtshormonen in bloed)