Wat is de wetenschappelijke naamgeving, en kan ik dit toepassen?
- Soort = groep organismen onderling voortplanten en vruchtbare nakomelingen voortbrengt.
- Ecosysteem = min of meer begrensd gebied waarin de abiotische en biotische factoren een
kenmerkende eenheid vormen
- Populatie = groep individuen van soort die in bepaald gebied voortplantingsgemeenschap
vormt alle individuen die in een ecosysteem een
voortplantingsgemeenschap vormen behoren tot populatie
- Wetenschappelijke naamgeving: Geslacht (groep)
(hoofdletter) – soort (kleine letter) – grote letter van persoon
die soort als eerste heeft beschreven Parius major L
(koolmees)
- Sommige soorten lijken erg op elkaar, maar kunnen toch niet
voortplanten (niet dezelfde soort) sommige soorten lijken
niet op elkaar maar kunnen toch voortplanten (zelfde soort)
- Soorten kunnen veranderen evolutie, maar gaat geleidelijk
- Populaties die ver van elkaar af wonen kunnen steeds meer gaan verschillen na verloop
van tijd niet meer als soortgenoten herkennen
- Soortnaam = wetenschappelijke naam van een individu; bestaat uit minimaal 2 namen:
geslachtsnaam en soortaanduiding
- Taxon = eenheid in taxonomie (ordening) die een
onderscheidende groep organismen weergeeft: bijv.
orde, familie
Wat zijn de organisatieniveaus?
- (185) Levels of organization of life song - YouTube
- Atoom – molecuul – celorganel – cel – weefsel –
orgaan – orgaanstelsel – organisme – populatie –
levensgemeenschap – ecosysteem – biosfeer
H23 Ecologie
Wat zijn voorbeelden van biotische en abiotische invloeden?
- abiotische factoren = factoren die tot de levenloze
natuur horen en ook nooit geleefd hebben
(temperatuur, licht, lucht, water, bodemstructuur)
- biotische factoren = levende omgeving en dode
omgeving (houtstronk/dood dier) soortgenoten etc.
Wat is de invloed van abiotische factoren in verschillende
situaties?
- Abiotische factoren zijn niet in elk ecosysteem hetzelfde de een heeft soms invloed de
ander en ook op de biotische factoren -> neerslag heeft effect op de bodem
Wat is het verband tussen de uiterste waarden van tolerantie en het overleven van een soort?
- Tolerantie voor abiotische factor -> minimum en maximum waarden (nog net overleven) en
optimum waarde (optimaal) beperkende factor = factor waarvan de waarde het verste
van de optimum waarde afligt (bepaald levenskansen)
Hoe werkt een tolerantiecurve (aflezen en interpreteren)?
Wat zijn verschillende ecologische relaties?
, - Relaties met soortgenoten (voortplanting maar ook concurrenten) en met niet-soortgenoten
(voedselrelaties en symbiotische relaties)
Voedselrelaties:
- Herbivoren (eten plantaardig) omnivoren (plantaardig en dierlijk) carnivoren (dierlijk)
- Vraat = opeten van planten, predatie = opeten van dier door ander dier
- Prooi-predator-relatie = regeling aantal prooien en predatoren pakkans kleiner maken:
o Diersoorten leven in groepen -> beter beschermd en predator eerder opgemerkt
o Diersoorten met schutkleur, aanmaken gifstoffen, lijken op ander giftige diersoort
o Planten kunnen gifstoffen aanmaken om vraat tegen te gaan
- geldt soms ook voor predatoren!
Wat is het verschil tussen intraspecifiek en interspecifiek?
- Intraspecifiek = relaties tussen soortgenoten leven in groep voordelen: eerder vijand in de
gaten, samen verjagen, samen voedselbron ontdekken Nadelen: groepsgenoten zijn
concurrenten (zelfde voedsel en abiotische factoren nodig) concurrentie planten: bomen
die zoveel mogelijk licht willen dus hoog
- Interspecifiek = betrekkingen niet-soortgenoten: voedselrelaties en symbiotische relaties
Wat zijn de verschillende typen symbiose?
Voorbeelden van alle typen symbiose?
Symbiose = het samenleven van verschillende soorten -> geen prooi-predator relatie, maar hebben
elkaar wel nodig 3 vormen:
1. Mutualisme: beide soorten voordeel (+/+) (kunnen niet zonder elkaar):
o Samenleven darmbacteriën en mens, bijen die bloemen bestuiven -> voedsel/nectar
2. Commensalisme: 1 van beide soorten voordeel, ander geen nadeel (geen hinder)(+/0):
o Korstmossen boom (geen hinder), mussen nestelen onderste takken ooievaarsnest
3. Parasitisme: 1 van 2 organismen nadeel, gastheer-parasiet relatie (-/+):
o Zonder parasieten -> plaag vlooien honden, mensenluis, lintworm (soms ook weer
last van parasieten = hyperparasitisme) gastheer kan overlijden aan parasieten ->
snel weg
Wat zijn de verschillende methoden van populatieonderzoek?
1. Telling van hele populatie (individuen goed te onderscheiden)
2. Telling van een steekproef: op bepaald oppervlakte tellen, ander oppervlakte ook proberen -
> daarvan gemiddelde nemen en je hebt de populatiedichtheid
3. Vangen, merken en terugvangen (alleen als beestjes snel voor de 2x in de val lopen): plaats
vallen, merk dieren, laat ze vrij -> na paar dagen weer: tel gemerkte en niet-gemerkte dieren
x : y = o : g (x = onbekende populatiegrootte, y = totaal aantal gemerkte dieren, o = dieren
dat bij 2e x is gevangen, g = aantal teruggevangen gemerkte dieren) vraag hieronder
Kan ik de populatiegrootte berekenen bij de onderzoeksmethode: vangen, merken, terugvangen?
Wat is het dynamisch evenwicht tussen prooidieren en predatoren?
- Meer prooidieren (kunnen zichzelf in de weg gaan zitten en
worden vanzelf minder) wisselen elkaar af
Wat zijn de verschillende factoren die van invloed zijn op de
populatiedichtheid?
- Bijvoorbeeld beperkt voedsel, abiotische factoren en biotische
factoren
Wat is de rol van pedatoren op de populatiegrootte?
- Plagen kunnen lang stand houden als de soort zich gevestigd heeft in een gebied zonder
predatoren want predator is regulerende factor
Wat is het verband tussen draagkracht en producenten?