10.1 Inleiding
Groeihormoon wordt geproduceerd en afgegeven door de hypofysevoorkwab. De pulsatiele afgifte wordt vooral
gereguleerd door GHRH vanuit de hypothalamus (stimulerend) en door somatostatine (remmend). De GHRH is
verantwoordelijk voor de pulsen, en somatostatine is meer verantwoordelijk voor de basale waarden.
Ook hormonen uit het MDK (zoals ghreline) beïnvloeden de GH-afgifte uit de hypofyse.
De effecten van GH zijn onder te verdelen in 2 hoofdcategorieën:
- Snelle, katabole effecten
o Gevolg van insuline-antagonisme
Lipolyse
Minder glucoseopname
- Langzamere, anabole effecten
o Via productie van insuline-like growth factors (IGF), vooral
uit de nieren en lever.
Eiwitsynthese
Chondrogenese
Groei
De circulerende IGF’s hebben een negatieve feedback op de
hypothalamus en hypofyse, en remmen zo de afgifte van GH.
Onderzoek bij runderen heeft uitgewezen dat GH ook effect heeft op de
melkproductie. Daardoor wordt in de USA veel gebruik gemaakt van rBST (recombinant bovine somatotroph hormone)
om de melkproductie te verhogen. In de EU is dit verboden. Toedienen van GH leidt tot een andere energiedistributie voor
het lichaam, waarbij de glucoseopname door de uier is verhoogd, dus toename van de melkproductie. Toedienen van GH
leidt tot versterking van de signalen die aangeven dat er een energie- of eiwittekort is. Hierdoor is de mobilisatie van
vetreserves groter. Ook blijkt onder invloed van IGF de afname van het aantal kliercellen in de uier kleiner dan normaal.
Deze verhoging v/d melkproductie vindt echter niet plaats bij ondervoede dieren of dieren in een ernstige negatieve
energiebalans. In dat geval blijkt een toename van GH niet tot een grotere activiteit van IGF te leiden.