Klassieke Oudheid (ca. 800 voor Chr.- 500 na Chr.)
De Middeleeuwen (ca. 500-1400)
Renaissance (ca. 1400-1530)
Barok (ca. 1600-1725)
De Gouden Eeuw (ca. 1600-1700)
Neo Classicisme (ca. 1770-1840)
Romantiek (ca. 1800-1850)
Realisme (ca. 1840-1880)
Impressionisme (ca. 1870-1905)
Post Impressionisme (ca. 1880-1900)
Jugendstil (ca. 1890-1915)
Inleiding
Klassieke Oudheid (ca. 800 voor Chr.- 500 na Chr.)
De Grieken
De Griekse cultuur uit de klassieke oudheid wordt beschouwd als de oorsprong van de moderne
westerse samenleving.
Gods verhalen speelde een belangrijke rol bij de Grieken, dit is terug te zien in;
De tempels ter verering van talloze goden.
De architectuur is harmonieus met veel aandacht voor maatverhoudingen.
Ze bouwde grote openlucht theaters ter vermaak van het volk.
In de beeldhouwkunst werden de goden als ideale mensen in marmer of brons afgebeeld.
Net als in de architectuur herken je in de beeldhouwkunst een streven naar harmonie en
uiterlijke perfectie.
Op vazen werden onder andere voorstellingen van strijd aangebracht, of taferelen uit het
dagelijks leven.
De werken van grote filosofen als Plato en Aristoteles zijn ook nu nog steeds van invloed op
ons leven
De Romeinen veroverde een groot rijk waaronder Griekenland. Ze waren meesters in organisatie en
techniek en namen de bouwstijlen en de beeldhouwkunst van de Grieken over.
De Romeinen:
Kopieerde de beelden van de Grieken letterlijk.
Namen Griekse beeldhouwers in dienst om ze beelden van goden en helden te laten maken.
Ook moesten ze portretten maken van Romeinse keizers en andere machthebbers.
Doordat de Romeinen de rondboog in de architectuur introduceerde waren ze in staat om
grote stadspoorten, hallen, stadions en amfitheaters te bouwen, zoals het Colosseum.
De Romeinen legde verharde en verdedigingswegen aan om legers te verplaatsen en hun rijk
te beschermen.
Tijdens de laatste periode van het Romeinse rijk beleeft het christendom zijn opkomst. In
eerste instantie werden de christenen vervolgd door de Romeinen, maar omdat de Romeinse
keizer Constantijn zijn rijk wil verstevigen heeft hij de steun van de Christenen nodig. Toen hij
bijna dood ging liet hij zich omdopen tot christen.
, De Middeleeuwen ( ca. 500-1400)
Doordat het centrale gezag van de Romeinen verzwakte en het leger steeds meer gedomineerd werd
door Germaanse stammen, valt het West- Romeinse rijk. Hierdoor ontstaat er een periode van onrust.
Wanneer deze periode van onrust eindigt, wordt Het christendom de bindende factor in Europa.
Bouwkunst is Romaans, zware muren lage bogen, weinig licht
Monniken schrijven en illustreren boeken
Muziek door Minstrelen
Gregoriaanse muziek en het begin van de Muziek notatie
Polyfonie en Acapella muziek is kenmerkend voor deze periode
Renaissance (ca. 1400-1530)
Mona Lisa