Zelfstudie: Regulering van het koolhydraatmetabolisme
De lever en vetweefsel zijn de belangrijkste weefsels voor de calorische homeostase en glucostase:
Lever: metabole ‘zeef’ voor portaal bloed. Houdt suikerspiegel op peil.
o Opslag van suikers uit voeding (in glycogeen)
o Omzetting van suikers naar TAG
o Omzetting van lactaat, glucogene aminozuren en glycerol in glucose = gluconeogenese.
o Productie van ketonlichamen (bij herkauwer ook in penswand).
Gluconeogenese en ketogenese zijn belangrijk bij vasten, en worden aangestuurd door de zuiver antagonistisch
werkende hormonen insuline en glucagon.
Vetweefsel: afgifte van vrije vetzuren aan bloed bepaalt de oxidatie van vetzuren, het ketonlichaammetabolisme
en het glucoseverbruik.
Het hangt van het soort cel af wat voor substraat er wordt verbrand.
‘Omnivoren’ kunnen glucose, vetzuren en aminozuren verbranden, afhankelijk van aanbod.
Hersencellen gebruiken altijd glucose, alleen tijdens langdurig vasten wordt er deels overgeschakeld op
ketonlichamen.
Rode en witte bloedcellen (geen mitochondriën) gebruiken alleen glucose.
Dus de glucostase is van levensbelang, zo kunnen hersenen en bloedcellen blijven functioneren. De concentraties v/d
andere substraten variëren sterk, afhankelijk van dieet, inspanning en insuline/glucagon.
Het enige wat in bovenstaand schema hormonaal gereguleerd is, is de verhoging v/d lipolyse.