1. Wat is volgens Van Ewijk wel en niet (meer) de kern van het maatschappelijk werk?
Het ligt niet meer in achterstandsbestrijding of het verhelpen van stoornissen maar in het
ondersteunen van mensen in hun sociaal functioneren.
2.De tot de jaren zeventig bestaande vooruitgangsstaat was gebaseerd op een bepaald ‘geloof’ wat
relevant is voor sociaal werk. Leg uit.
Het geloof was gebaseerd op de effecten van de moderne wetenschap en technologische
vooruitgang. De vooruitgangsstaat wilde armoede, ongeletterdheid en onbeschaafdheid bestrijden.
3.Toen Van Ewijk (bijzonder) hoogleraar werd aan de universiteit van Tartu kwam hij er achter dat
er in dat land tot 1991 geen sociaal werk bestond. Hoe valt dat te verklaren?
Omdat in de communistische staat geen sociale problemen konden ontstaan. ( Het communisme is
een sociale, politieke en economische ideologie gericht op de verwezenlijking van een klasseloze en
socialistische samenleving. Ze is gebaseerd op gemeenschappelijke eigendom van de
productiemiddelen met openbare instellingen waarbij iedereen produceert naar vermogen en neemt
naar behoefte)
4.Op blz. 12 van het artikel betoogt Van Ewijk dat er in “de staat van complexiteit sprake is van een
Babylonische spraakverwarring.” Wat bedoelt hij hiermee?
Een veelvoud aan perspectieven, constructies en werkelijkheden, waarin herkenbare structuren
moeilijk te herkennen zijn.
5.Op dezelfde bladzijde merkt hij ook op dat “onze sociale inbedding aan erosie onderhevig is.
”Wat heeft dat te maken met het “aarzelend en zoekend innerlijk”, zoals hij op de volgende
bladzijde schrijft?
De mens heeft zich losgemaakt van de overzichtelijke, herkenbare multifunctionele
levensgemeenschap zoals dorpen en kleine steden, de standen en gildes waren. We zijn bewoners
van ‘communities’ geworden die ieder een eigen samenstelling hebben met een eigen doel of functie.
we zijn op zoek naar onszelf als individu en niet als samenleving.
6.‘sociaal vermogen’ wordt in onze tijd zowel hoog gewaardeerd én is tegelijkertijd een
uitsluitingsgrond. Hoe kan dat?
Sociaal vermogen = Een sociale vaardigheid, de kunst om zo met je eigen omgeving en jezelf om te
gaan dat je gezien, erkend en herkent wordt. Uitsluiting vindt plaats wanneer je niet aan deze eisen
kunt voldoen en dus buiten de boot valt. VB; 12% van mensen met autisme hebben een fulltime
baan.
7.Voor welke groepen is niet-adequaat sociaal functioneren een belangrijke uitsluitingsgrond en
maak duidelijk welke relatie er bestaat met onze huidige samenleving.
* Mensen met een autistische stoornis niet-adequaat sociaal functioneren belangrijkste
uitsluitingsgrond.
* mensen met een (licht) verstandelijke handicap toename van problematisch gedrag
samenleving wordt minder voorspelbaar en meer complex waardoor ze zich steeds moeten
aanpassen en zoeken naar hun positie en rol. Ook minder duidelijke sociale controle en correctie dan
vroeger.
8.Wat verstaat de auteur onder ‘georganiseerde discontinuïteit’?
het opdelen of opknippen van taken. VB; uitvoering/diagnose/management uit elkaar gehaald.
9.Van Ewijk beschrijft twee soorten ontkoppeling–de achterstandsbenaderingen de
stoornisbenadering. Geef een omschrijving van beide benaderingen en beargumenteer waarom
Van Ewijk vindt dat maatschappelijk werk hier ‘niets te vinden’ heeft.
Achterstandsbenadering verbonden met de strijd tegen armoede, ongeletterdheid en
onbeschaafdheid van de 19e en 20e eeuw. Nationale systemen van onderwijs, gezondheidszorg,
volkshuisvesting, arbeidsmarkt en socialer zekerheid werden getoetst op hun toegankelijkheid en
bijdrage aan een productieve en egalitaire samenleving. Dit leidde tot ontkoppeling van algemeen
beleid naar specifiek doelgroepenbeleid want elke keer was er wel een groep die achter lag.
, sociaal werkers hebben hier niet veel te zoeken omdat achterstanden bestrijden meer ligt bij
onderwijs, arbeidsmarkt en de politieke arena.
Stoornisbenadering wordt gedreven door de neiging om in de mens de stoornissen, ziektes en
handicaps te identificeren, te diagnosticeren en te behandelen, bij voorkeur via evidence-based
protocollen. De gediagnosticeerde stoornis is leidend in het conceptualiseren van wat er aan de hand
is en wat gedaan moet worden. Vaak nemen degenen die gediagnosticeerd zijn het etiket over en
verenigen zich in organisaties van chronisch zieken, gehandicapten en patiënten. Zo ontstaan hier ook
belangengroepen sociaal werkers hebben hier niet veel te zoeken omdat ziekte handicap en
stoornisbehandeling meer aan medici en psychologen aangewezen zijn.
10.De achterstandsbenadering staat ook wel bekend als ‘critical social work’ en ‘anti-oppressive
practice’. Volgens de auteur politiseert maatschappelijk werk in deze benadering. Wat bedoelt hij
hiermee?
Dat de achterstanden bestreden moeten worden door de politiek, arbeidsmarkt en onderwijs en niet
door maatschappelijk werkers.
11.Hoe staat de auteur tegenover ‘burgerschap’?
1. dat burgerschap een fatsoenlijke verzorgingsstaat veronderstelt met toegankelijke systemen.
2. bij de eigen en medeverantwoordelijkheid hoort altijd te staan; naar het vermogen van de
specifieke burger.
3. Burgerschap houdt ook relationeel burgerschap in. Burgerschap is niet alleen een persoonlijke
opgave maar werkt pas als samenleving en overheid zich inzetten voor hun burgers.
12.Van Ewijk beschrijft vijf types: de dolende, de vastgelopene, de genegeerde, de mishandelde en
de ontspoorde. Wat hebben deze types gemeenschappelijk?
Ze hebben het allemaal moeilijk in onze samenleving.
13.De twee kernwoorden van het maatschappelijk werk zijn ’activeren’ en ‘inbedden’. Wat houden
deze kernwoorden in en hoe verhouden ze zich tot elkaar?
Activeren de inzet om mensen te helpen weer aan het werk te gaan weer naar school te gaan, zich
weer in te zetten voor hun familie, voor hun vrienden en omgeving maar ook om aan zichzelf toe te
komen als mensen actief zijn doen ze minder beroep op dure voorzieningen, vinden ze eerder
werk, voelen ze zich prettiger.
Inbedden probeert om de directe omgeving zo te laten functioneren dat iemand makkelijker
sociaal functioneert zoals de aanpassing van de werkplek, het gezin, de klas, het verzorgingshuis, de
buurt aan de eigenaardigheden van de persoon.
Verhouden zich tot elkaar doordat inbedden een essentiële voorwaarde is om activeren vol te houden.
14.De ‘wet van Van Ewijk’ wordt omschreven als een correctie en variant op de ‘wet van Baumol’.
Leg uit!
Wet van baumol luidt dat beroepen die minder gebruik kunnen maken van mechanisering en
toepassing van technologie verhoudingsgewijs steeds duurder worden. De arbeidsproductiviteit per
uur neemt in sociale beroepen schijnbaar veel minder toe dan in de bijna volledig geautomatiseerde
auto-industrie of in het bankwezen.
Correctie hypothese van v. Ewijk dat in het sociaal werk de arbeidsproductiviteit aanmerkelijk
toeneemt daar waar de professional de cliënt en de omgeving activeert.
15.De sociaal werker moet in –in de woorden van Van Ewijk –in staat zijn “de complexiteit te
managen”. Hoe ziet dat er in zijn visie uit?
Een goede sociaal werker onderkent de complexiteit als geheel en de losse componenten hiervan,
zonder de losse componenten te ontkoppelen. Zo ontstaat de zoektocht naar hoe het de individu
vergaat op verschillende gebieden en op wel gebied er hulp nodig is