Samenvatting Hoofdstuk 7: 7.1 t/m 7.5
7.1 Major Modes of Regulation
De meeste bacteriele genen worden getranscibeerd naar mRNA en vervolgens getransleerd naar een
eiwit. De productie van een eiwit kan gereguleerd worden door inducers en activators. Activiteiten
die ook een rol spelen bij de genexpressie zijn: remming door middel van terugkoppeling, eiwit-eiwit
interacties, covalente modificaties en degradatie. Om de genexpressie te zien wordt er een
reportergen (bijv. GFP) toegevoegd waarbij de open reading frame gelinkt is aan het eiwit van
interesse zodat je kan zien hoeveel eiwit er geproduceerd wordt. Bij een hoge intensiteit is er een
hoge concentratie eiwit.
7.2 DNA-Binding Proteins
Om een gen te transcibreren moet de RNA polymerase de specifieke
promoter herkennen. Daarnaast zijn er ook kleine moleculen die binden
aan eiwitten op specifieke DNA plaatsen (inverted repeats), die
regulerende eiwitten genoemd worden. Dit mechanisme zorgt voor
genexpressie regulatie. Meestal zijn de DNA binding eiwitten een dimer
(2 dezelfde eiwitten aan elkaar), maar wel met verschillende domeinen.
Ze hechtten in een major groove van het DNA.
Prokaryoten en eukaryoten hebben verschillende klasse van
eiwitdomeinen dat belangrijk is voor het goed hechtten aan het DNA.
Een meest voorkomende is de helix-turn-helix, die a helixen en een
tussenstuk bevatten . Veel bacteriën hebben deze structuur bij
repressor eiwitten zoals lac, trp, bacteriofaag repressoren. Een
belangrijke DNA binding eiwit in eukaryoten is de zinc finger die een
zinkion aan zich bindt. DNA binding eiwitten kan transcriptie blokken
(negatieve regulatie) en activeren (positieve regulatie).
7.3 Negative Control: Repression and Induction
Vaak worden enzymen die een specifiek eiwit produceren niet gemaakt wanneer het specifieke eiwit
al in het medium bevindt. Een overschot van dat enzym zorgt voor enzymrepressie. Door dit
mechanisme verliest het organisme geen onnodige energie. Enzym inductie is het tegenovergestelde
van enzymrepressie. Het enzym is niet werkzaam wanneer het eiwit niet in het medium zit. Wanneer
het eiwit wel in het medium zit gaat pas het enzym werken. Deze controlemechanisme zorgt ervoor
dat specifieke enzymen worden geproduceerd alleen wanneer het nodig is.
De stof die een enzym induceert wordt een inducer genoemd en een stof die een enzym onderdrukt
wordt een corepressor genoemd. De kleine substanties worden in zijn geheel effectoren genoemd.
7.1 Major Modes of Regulation
De meeste bacteriele genen worden getranscibeerd naar mRNA en vervolgens getransleerd naar een
eiwit. De productie van een eiwit kan gereguleerd worden door inducers en activators. Activiteiten
die ook een rol spelen bij de genexpressie zijn: remming door middel van terugkoppeling, eiwit-eiwit
interacties, covalente modificaties en degradatie. Om de genexpressie te zien wordt er een
reportergen (bijv. GFP) toegevoegd waarbij de open reading frame gelinkt is aan het eiwit van
interesse zodat je kan zien hoeveel eiwit er geproduceerd wordt. Bij een hoge intensiteit is er een
hoge concentratie eiwit.
7.2 DNA-Binding Proteins
Om een gen te transcibreren moet de RNA polymerase de specifieke
promoter herkennen. Daarnaast zijn er ook kleine moleculen die binden
aan eiwitten op specifieke DNA plaatsen (inverted repeats), die
regulerende eiwitten genoemd worden. Dit mechanisme zorgt voor
genexpressie regulatie. Meestal zijn de DNA binding eiwitten een dimer
(2 dezelfde eiwitten aan elkaar), maar wel met verschillende domeinen.
Ze hechtten in een major groove van het DNA.
Prokaryoten en eukaryoten hebben verschillende klasse van
eiwitdomeinen dat belangrijk is voor het goed hechtten aan het DNA.
Een meest voorkomende is de helix-turn-helix, die a helixen en een
tussenstuk bevatten . Veel bacteriën hebben deze structuur bij
repressor eiwitten zoals lac, trp, bacteriofaag repressoren. Een
belangrijke DNA binding eiwit in eukaryoten is de zinc finger die een
zinkion aan zich bindt. DNA binding eiwitten kan transcriptie blokken
(negatieve regulatie) en activeren (positieve regulatie).
7.3 Negative Control: Repression and Induction
Vaak worden enzymen die een specifiek eiwit produceren niet gemaakt wanneer het specifieke eiwit
al in het medium bevindt. Een overschot van dat enzym zorgt voor enzymrepressie. Door dit
mechanisme verliest het organisme geen onnodige energie. Enzym inductie is het tegenovergestelde
van enzymrepressie. Het enzym is niet werkzaam wanneer het eiwit niet in het medium zit. Wanneer
het eiwit wel in het medium zit gaat pas het enzym werken. Deze controlemechanisme zorgt ervoor
dat specifieke enzymen worden geproduceerd alleen wanneer het nodig is.
De stof die een enzym induceert wordt een inducer genoemd en een stof die een enzym onderdrukt
wordt een corepressor genoemd. De kleine substanties worden in zijn geheel effectoren genoemd.