Samenvatting Hoofdstuk 4: 4.1 t/m 4.14
4.1 Macromolecules and Genes
Genetische informatie is verpakt in genen. Genetische elementen
zijn chromosomen of andere grote moleculen die genen hebben.
Deze elementen maken het hele geheel van genetische
informatie, ook wel genomen. Genetische informatie is ingepakt
in nucleïnezuren (DeoxyriboNucleic Acid, RiboNucleicAcid).
Nucleinezuren zijn informatieoverbrengende macromoleculen.
Monomeren van nucleïnezuren zijn nucleotides, dus DNA en RNA
zijn polynucleotides. Een nucleotide heeft een pentose sugar,
nitrogene base en fosfaatmolecuul. Nitrogene basen kunnen
purines(A en G) zijn of pyrimidines (C,T en U). Een nucleotide
zonder fosfaat heet een nucleoside. De fosfaatbinding tussen twee
suiker moleculen heet een fosfodiesterbinding of esterbinding.
Genetische informatie van DNA gaat naar RNA. Er zijn drie
verschillende type RNA: mRNA (enkelstrengs, vervoert informatie
van DNA naar ribosoom), tRNA (vervoert informatie van de
nucleotide in RNA naar eiwitsequenties) en rRNA (katalytische en
structurele component van de ribosoom). De genetische
informatie flow kun je verdelen in 3 stappen (central dogma):
1. Replicatie de DNA helix is gedupliceerd door RNA
polymerase
2. Transcriptie Vervoer van DNA naar RNA
3. Translatie informatie van mRNA naar eiwit.
3 basen vormen samen een codon die codeert voor een
eiwit.
4.2 The Double Helix
DNA bestaat uit 2 complementaire(A-T, G-C), antiparralele(de een van 5’naar 3’,
ande van 3’naar 5’) strengen. Het bestaat uit major grooves en minor grooves. De
binding A-T heeft 2 waterstofbruggen. C-G heeft 3 watersotfbruggen. 1000 basen
is 1 kb. Kbp wordt gebruikt voor dubbele helixen. 100000 basen is Mbp. Om het
DNA in zo’n kleine ruimte te krijgen is DNA supercoiled. Door middel van
topoisomerases(DNA gyrase) wordt de supercoil eruit gehaald .
4.1 Macromolecules and Genes
Genetische informatie is verpakt in genen. Genetische elementen
zijn chromosomen of andere grote moleculen die genen hebben.
Deze elementen maken het hele geheel van genetische
informatie, ook wel genomen. Genetische informatie is ingepakt
in nucleïnezuren (DeoxyriboNucleic Acid, RiboNucleicAcid).
Nucleinezuren zijn informatieoverbrengende macromoleculen.
Monomeren van nucleïnezuren zijn nucleotides, dus DNA en RNA
zijn polynucleotides. Een nucleotide heeft een pentose sugar,
nitrogene base en fosfaatmolecuul. Nitrogene basen kunnen
purines(A en G) zijn of pyrimidines (C,T en U). Een nucleotide
zonder fosfaat heet een nucleoside. De fosfaatbinding tussen twee
suiker moleculen heet een fosfodiesterbinding of esterbinding.
Genetische informatie van DNA gaat naar RNA. Er zijn drie
verschillende type RNA: mRNA (enkelstrengs, vervoert informatie
van DNA naar ribosoom), tRNA (vervoert informatie van de
nucleotide in RNA naar eiwitsequenties) en rRNA (katalytische en
structurele component van de ribosoom). De genetische
informatie flow kun je verdelen in 3 stappen (central dogma):
1. Replicatie de DNA helix is gedupliceerd door RNA
polymerase
2. Transcriptie Vervoer van DNA naar RNA
3. Translatie informatie van mRNA naar eiwit.
3 basen vormen samen een codon die codeert voor een
eiwit.
4.2 The Double Helix
DNA bestaat uit 2 complementaire(A-T, G-C), antiparralele(de een van 5’naar 3’,
ande van 3’naar 5’) strengen. Het bestaat uit major grooves en minor grooves. De
binding A-T heeft 2 waterstofbruggen. C-G heeft 3 watersotfbruggen. 1000 basen
is 1 kb. Kbp wordt gebruikt voor dubbele helixen. 100000 basen is Mbp. Om het
DNA in zo’n kleine ruimte te krijgen is DNA supercoiled. Door middel van
topoisomerases(DNA gyrase) wordt de supercoil eruit gehaald .