SAMENVATTING INSOLVENTIERECHT
WEEK 1 HOOFDLIJNEN FAILLISSEMENT
Hoofdstuk 1 Hoofdlijnen insolventieprocedures
Insolventieprocedures zijn gecreëerd om chaotische situaties te voorkomen; een gezamenlijk
optreden ten behoeve van alles schuldeisers, een ‘concursus creditorum’. Het verhaal door
individuele schuldeisers wordt vervangen door een collectief verhaal door een onafhankelijke
buitenstaander ten behoeve van alle schuldeisers. Hierbij staat de gelijkheid van alle
schuldeisers centraal. Bevoorrechte schuldeisers ontvangen betaling conform hun
voorrechten.
De Faillissementswet kent drie insolventieprocedures, elk met een eigen karakter:
1) faillissement: het faillissement is gericht op de vereffening van het vermogen ten behoeve
van alle schuldeisers. Hun belangen staan centraal.
2) surseance van betaling: uitstel van betaling. Dit is een tijdelijke maatregel gericht op gehele
of gedeeltelijke voldoening van concurrente schuldeisers; gericht op herstel van de
betalingsverplichtingen. Deze regel is alleen bedoeld voor ondernemingen.
3) schuldsanering natuurlijke personen: hierbij wordt een bewindvoerder benoemt die erop
ziet dat de schuldeisers worden betaald. Indien dit traject succesvol wordt doorlopen, worden
de restantvorderingen op het eind niet langer afdwingbaar. De schulden zijn dan natuurlijke
verbintenissen geworden. Let op! Bij faillissement geldt dat niet. De belangen van de
schuldenaar spelen hier een grote rol dan bij faillissement.
Tijdens de insolventieprocedure volgt de solvabiliteitstoets: kunnen alle schulden uiteindelijk
worden voldaan uit het vermogen van de schuldenaar?
Om als schuldeiser in de zin van de Fw te worden aangemerkt, is het vereist dat de
schuldeiser zijn vordering op de schuldenaar in rechte geldend kan maken. Dus: schuldeisers
in de zin van de Fw is degene die op de dag dat de insolventieprocedure wordt geopend een
geldvordering heeft op de schuldenaar, of een andere vordering die kan worden omgezet in
een geldvordering.
Nadat de insolventieprocedure is geopend, kan de schuldenaar nieuwe verplichtingen
aangaan. Dit leidt tot nieuwe vorderingen van nieuwe schuldeiser. Deze vorderingen spelen
geen rol in de insolventieprocedure, en moeten door de schuldenaar zelf worden.
De schuldeisers kunnen worden onderscheiden in preferente schuldeisers en concurrente
schuldeisers. Voorrechten kunnen rusten op bepaalde goederen of op alle goederen.
Schuldeisers met een voorrecht op bepaalde goederen kunnen zich als eerste verhalen op de
opbrengt van die goederen. Een eventueel restant komt toe aan de schuldeisers met een
voorrecht op alle goederen, en daarna de concurrente schuldeisers.
De afhandeling van de insolventie brengt kosten met zich mee; boedelkosten. Deze gaan voor
op de uitbetaling van de schuldeisers.
Rangorde:
1) boedelvorderingen
2) preferente vorderingen
3) concurrente vorderingen
WEEK 1 HOOFDLIJNEN FAILLISSEMENT
Hoofdstuk 1 Hoofdlijnen insolventieprocedures
Insolventieprocedures zijn gecreëerd om chaotische situaties te voorkomen; een gezamenlijk
optreden ten behoeve van alles schuldeisers, een ‘concursus creditorum’. Het verhaal door
individuele schuldeisers wordt vervangen door een collectief verhaal door een onafhankelijke
buitenstaander ten behoeve van alle schuldeisers. Hierbij staat de gelijkheid van alle
schuldeisers centraal. Bevoorrechte schuldeisers ontvangen betaling conform hun
voorrechten.
De Faillissementswet kent drie insolventieprocedures, elk met een eigen karakter:
1) faillissement: het faillissement is gericht op de vereffening van het vermogen ten behoeve
van alle schuldeisers. Hun belangen staan centraal.
2) surseance van betaling: uitstel van betaling. Dit is een tijdelijke maatregel gericht op gehele
of gedeeltelijke voldoening van concurrente schuldeisers; gericht op herstel van de
betalingsverplichtingen. Deze regel is alleen bedoeld voor ondernemingen.
3) schuldsanering natuurlijke personen: hierbij wordt een bewindvoerder benoemt die erop
ziet dat de schuldeisers worden betaald. Indien dit traject succesvol wordt doorlopen, worden
de restantvorderingen op het eind niet langer afdwingbaar. De schulden zijn dan natuurlijke
verbintenissen geworden. Let op! Bij faillissement geldt dat niet. De belangen van de
schuldenaar spelen hier een grote rol dan bij faillissement.
Tijdens de insolventieprocedure volgt de solvabiliteitstoets: kunnen alle schulden uiteindelijk
worden voldaan uit het vermogen van de schuldenaar?
Om als schuldeiser in de zin van de Fw te worden aangemerkt, is het vereist dat de
schuldeiser zijn vordering op de schuldenaar in rechte geldend kan maken. Dus: schuldeisers
in de zin van de Fw is degene die op de dag dat de insolventieprocedure wordt geopend een
geldvordering heeft op de schuldenaar, of een andere vordering die kan worden omgezet in
een geldvordering.
Nadat de insolventieprocedure is geopend, kan de schuldenaar nieuwe verplichtingen
aangaan. Dit leidt tot nieuwe vorderingen van nieuwe schuldeiser. Deze vorderingen spelen
geen rol in de insolventieprocedure, en moeten door de schuldenaar zelf worden.
De schuldeisers kunnen worden onderscheiden in preferente schuldeisers en concurrente
schuldeisers. Voorrechten kunnen rusten op bepaalde goederen of op alle goederen.
Schuldeisers met een voorrecht op bepaalde goederen kunnen zich als eerste verhalen op de
opbrengt van die goederen. Een eventueel restant komt toe aan de schuldeisers met een
voorrecht op alle goederen, en daarna de concurrente schuldeisers.
De afhandeling van de insolventie brengt kosten met zich mee; boedelkosten. Deze gaan voor
op de uitbetaling van de schuldeisers.
Rangorde:
1) boedelvorderingen
2) preferente vorderingen
3) concurrente vorderingen