Handboek van leraren H13
Motivatietheorie
De motivatietheorie van Ryan en Deci (2000) gaat ervan uit dat motivatie autonoom
is. Autonome motivatie houdt in dat de leerlingen het gevoel hebben zelf voor de
activiteiten te hebben gekozen. De autonome motivatie kan je onderverdelen in
verschillende gradaties. De meeste autonome vorm van motivatie is de intrinsieke
motivatie. Intrinsieke motivatie kan een positief effect hebben op het leerproces en
op de prestaties van leerling. Bij intrinsieke motivatie beleeft de leerling plezier aan
de activiteit zelf en gaat het niet (alleen) meer om het doel dat de leerling moet
bereiken. Het uitvoeren van de taak of opdracht wordt intern gereguleerd en
gecontroleerd. Daarom de naam autonome motivatie. Leerlingen die intrinsiek
gemotiveerd zijn kunnen hun studieactiviteiten beter plannen, hebben betere
resultaten en zijn minder snel afgeleid. Daarnaast is er ook sprake van minder
schooluitval.
Hoe kun je motivatie bevorderen?
Motivatie kun je bevorderen door als docent een evenwichtige invulling te geven aan
de basisbehoeften: competentie, relatie en autonomie.
Extrinsieke motivatie kan intrinsieke motivatie doen verdwijnen wanneer geregeld
beloningen aan het gedrag worden gegeven. Dan vindt een verschuiving plaats van
persoonlijke interesse (intrinsieke motivatie) naar de beloning (extrinsieke
motivatie). Tot dan toe intrinsieke gemotiveerde leerlingen studeren dan alleen nog
maar voor beloningen. Kortom, belonen kan ertoe leiden dat leerlingen hun
autonomie verliezen.
Om aan de basisbehoefte als docent te voldoen moet je rust, reinheid en regelmaat
geven aan de klas en dit krijg je door leiding. Lesgeven en orde houden zijn zaken
waarin je moet groeien. Het kost tijd om je communicatie en het klassenmanagement
op orde te krijgen.
Controlerende taal zorgt voor controle in de klas. De controlerende taal maakt de
leerling duidelijk wat de leerling moet doen.
Om motivatie te bevorderen moet je controlerende gedragingen en taal zoveel
mogelijk vermijden. Dit kun je doen door inspraak van de leerlingen toe te staan en je
ervan bewust te zijn dat leerlingen vooral leren van hun eigen successen en
mislukkingen.
Het is belangrijk om autonomie-ondersteunend gedrag te vertonen om de motivatie
van leerlingen te verhogen. Autonomie-ondersteunend lerarengedrag kan je
verdelen in 3 componenten:
1. Identificeren -> je weet wat leerlingen echt willen weten en wat hun drijfveren
zijn. Dit kun je bereiken door te luisteren naar de leerlingen, te vragen naar
hun wensen en aan te sluiten bij hun perspectief.
2. Voeden en ondersteunen -> je biedt je leerlingen voldoende ruimte voor
eigen inbreng en laat ze experimenteren om zelf te ontdekken. Dit kun je
Motivatietheorie
De motivatietheorie van Ryan en Deci (2000) gaat ervan uit dat motivatie autonoom
is. Autonome motivatie houdt in dat de leerlingen het gevoel hebben zelf voor de
activiteiten te hebben gekozen. De autonome motivatie kan je onderverdelen in
verschillende gradaties. De meeste autonome vorm van motivatie is de intrinsieke
motivatie. Intrinsieke motivatie kan een positief effect hebben op het leerproces en
op de prestaties van leerling. Bij intrinsieke motivatie beleeft de leerling plezier aan
de activiteit zelf en gaat het niet (alleen) meer om het doel dat de leerling moet
bereiken. Het uitvoeren van de taak of opdracht wordt intern gereguleerd en
gecontroleerd. Daarom de naam autonome motivatie. Leerlingen die intrinsiek
gemotiveerd zijn kunnen hun studieactiviteiten beter plannen, hebben betere
resultaten en zijn minder snel afgeleid. Daarnaast is er ook sprake van minder
schooluitval.
Hoe kun je motivatie bevorderen?
Motivatie kun je bevorderen door als docent een evenwichtige invulling te geven aan
de basisbehoeften: competentie, relatie en autonomie.
Extrinsieke motivatie kan intrinsieke motivatie doen verdwijnen wanneer geregeld
beloningen aan het gedrag worden gegeven. Dan vindt een verschuiving plaats van
persoonlijke interesse (intrinsieke motivatie) naar de beloning (extrinsieke
motivatie). Tot dan toe intrinsieke gemotiveerde leerlingen studeren dan alleen nog
maar voor beloningen. Kortom, belonen kan ertoe leiden dat leerlingen hun
autonomie verliezen.
Om aan de basisbehoefte als docent te voldoen moet je rust, reinheid en regelmaat
geven aan de klas en dit krijg je door leiding. Lesgeven en orde houden zijn zaken
waarin je moet groeien. Het kost tijd om je communicatie en het klassenmanagement
op orde te krijgen.
Controlerende taal zorgt voor controle in de klas. De controlerende taal maakt de
leerling duidelijk wat de leerling moet doen.
Om motivatie te bevorderen moet je controlerende gedragingen en taal zoveel
mogelijk vermijden. Dit kun je doen door inspraak van de leerlingen toe te staan en je
ervan bewust te zijn dat leerlingen vooral leren van hun eigen successen en
mislukkingen.
Het is belangrijk om autonomie-ondersteunend gedrag te vertonen om de motivatie
van leerlingen te verhogen. Autonomie-ondersteunend lerarengedrag kan je
verdelen in 3 componenten:
1. Identificeren -> je weet wat leerlingen echt willen weten en wat hun drijfveren
zijn. Dit kun je bereiken door te luisteren naar de leerlingen, te vragen naar
hun wensen en aan te sluiten bij hun perspectief.
2. Voeden en ondersteunen -> je biedt je leerlingen voldoende ruimte voor
eigen inbreng en laat ze experimenteren om zelf te ontdekken. Dit kun je