Samenvatting H3 Planten: bestuiving
Mannelijke geslachtsorgaan
- Meeldraad -> bestaat uit hemdraad en helmknop
Maakt stuifmeelkorrels
Vrouwelijk geslachtsorgaan
- Stamper -> bestaat uit stempel , stijl en vruchtbeginsel
Maakt eicellen
Mannelijke geslachtscellen -> in stuifmeelkorrels
Vrouwelijke geslachtscellen -> eicel, in zaadbeginsel
Bij geslachtelijke voortplanting bij planten smelt een mannelijke
voortplantingscel (stuifmeelkorrel) samen met een vrouwelijke
voortplantingscel (eicel). Na deze bevruchting ontstaat er een bevruchte eicel
(zygote) in een zaadje.
Bevruchting -> samensmelten van kern stuifmeelkorrel en kern eicel
Voordat er bevruchting plaatsvindt is er eerst bestuiving. Bestuiving -> overbrengen
van stuifmeel van meeldraden naar de stamper (plakkerige stempel) bij een plant van
dezelfde soort. Als stuifmeel op een stempel van een andere soort terecht komt, dan
volgt er geen bevruchting.
Bevruchting kan door wind, insecten en andere dieren of mensen.
Windbloemen -> bestuiving door wind:
- Kleine bloemen
- Geen speciale kleur -> meestal groen
- Geen lekkere geur
- Stuifmeel licht en poederig -> makkelijk met de wind mee zweven
- Geen nectar
- Hele lange meeldraden
- Maken heel veel stuifmeelkorrels
- De stempel is erg groot
Insectenbloemen -> bestuiving door insecten:
- Grote bloemen
- Gekleurde bloemen -> trekken dieren aan
- Ruiken lekker (geurstoffen)
- Maken nectar
- Stuifmeelkorrels zijn ruw en plakkerig -> plakken beter aan insecten vast.
Na bestuiving groeit de kern van een stuifmeelkorrel door de stijl naar een eicel in
het vruchtbeginsel door de stuifmeelbuis. Dan volgt de bevruchting. De
bevruchte eicel wordt een kiempje. Het zaadbeginsel groeit uit tot zaad en het
Mannelijke geslachtsorgaan
- Meeldraad -> bestaat uit hemdraad en helmknop
Maakt stuifmeelkorrels
Vrouwelijk geslachtsorgaan
- Stamper -> bestaat uit stempel , stijl en vruchtbeginsel
Maakt eicellen
Mannelijke geslachtscellen -> in stuifmeelkorrels
Vrouwelijke geslachtscellen -> eicel, in zaadbeginsel
Bij geslachtelijke voortplanting bij planten smelt een mannelijke
voortplantingscel (stuifmeelkorrel) samen met een vrouwelijke
voortplantingscel (eicel). Na deze bevruchting ontstaat er een bevruchte eicel
(zygote) in een zaadje.
Bevruchting -> samensmelten van kern stuifmeelkorrel en kern eicel
Voordat er bevruchting plaatsvindt is er eerst bestuiving. Bestuiving -> overbrengen
van stuifmeel van meeldraden naar de stamper (plakkerige stempel) bij een plant van
dezelfde soort. Als stuifmeel op een stempel van een andere soort terecht komt, dan
volgt er geen bevruchting.
Bevruchting kan door wind, insecten en andere dieren of mensen.
Windbloemen -> bestuiving door wind:
- Kleine bloemen
- Geen speciale kleur -> meestal groen
- Geen lekkere geur
- Stuifmeel licht en poederig -> makkelijk met de wind mee zweven
- Geen nectar
- Hele lange meeldraden
- Maken heel veel stuifmeelkorrels
- De stempel is erg groot
Insectenbloemen -> bestuiving door insecten:
- Grote bloemen
- Gekleurde bloemen -> trekken dieren aan
- Ruiken lekker (geurstoffen)
- Maken nectar
- Stuifmeelkorrels zijn ruw en plakkerig -> plakken beter aan insecten vast.
Na bestuiving groeit de kern van een stuifmeelkorrel door de stijl naar een eicel in
het vruchtbeginsel door de stuifmeelbuis. Dan volgt de bevruchting. De
bevruchte eicel wordt een kiempje. Het zaadbeginsel groeit uit tot zaad en het