Een basis voor hulpverlening
Door Lang en van der Molen, Druk 17
Hoofdstuk 1: Inleiding
Doelen:
1. Bijdrage leveren aan het inzicht in de processen die een rol spelen bij het voeren van
hulpverleningsgesprekken. Inzicht in de bedoelingen die de hulpverlener in een gesprek
nastreeft. Hulpverlener leert zien wat voor invloed het eigen gedrag heeft op degene die hij
wil helpen
2. Zo nauwkeurig mogelijk beschrijven van de concrete vaardigheden die men nodig heeft om
iemand met een persoonlijk probleem te helpen.
Het gaat om het normale verschijnsel van mensen die wel zelf, maar niet in hun eentje hun
problemen de baas kunnen worden. Ze kunnen nog verantwoordelijkheid dragen voor hun eigen
daden. Zolang men de indruk heeft dat men met de ander op enigszins begrijpelijke manier van
gedachten kan wisselen en afspraken kan maken, is er een basis om verder te praten. Of die basis er
is, moet blijken in het contact. Het gaat om het helpen van ‘gewone’ mensen met vragen en
problemen, van ‘aanspreekbare’ personen.
Hoofdstuk 2: De gezindheid van de hulpverlener
2.1 Inleiding
Er zijn voor persoonlijke problemen allerlei ‘oplossingen’ die sterk worden gekleurd door de normen
en waarden die de betrokkenen eropna houden. Ten eerste moeten we ons afvragen hoe we – in
algemene zin – met de ander willen omgaan. Ten tweede komt aan de orde welke methoden van
werken, welke technieken we willen kiezen. Ten derde dienen we ons af te vragen, ook in verband
met het voorafgaande, in wat voor situatie hulpverlener en cliënt zich bevinden ten opzichte van
elkaar.
2.2 De gezindheid van de naaste
Mensen zijn er in het dagelijks leven vaak op uit om problemen te bagatelliseren in hun eigen belang
en misschien ook het vermeende belang van de ander. Het belang van de vader is een zoon die goed
studeert en iets bereikt, die voldoet aan verplichtingen en gemaakte afspraken. We kunnen dit zien
als eigen belang. In westerse culturen wordt grote waarde gehecht aan de opvatting dat een individu
het recht heeft in vrijheid en voor eigen verantwoordelijkheid beslissen te nemen en zijn toekomst
vorm te geven. Beslissingen moeten hierbij worden genomen op grond van eigen motieven. Bij het
wegen van die eigen motieven is het van belang dat algemene, goede leefregels, waarden en normen
met enige relativering worden gehanteerd. Wat dan te doen als iemand in onze ogen onwijs,
onverstandig, onverantwoordelijk handelt? voorgaande aangegeven, hoogdravende opvattingen
over vrijheid worden dan meestal wat minder luidruchtig onderschreven. We weten niet bij voorbaat
wat een verstandige beslissing is voor het individu. Het is soms juist voor naasten moeilijk om te
helpen bij persoonlijke problemen. Grote nabijheid, grote vriendschap, grote liefde kan leiden tot
dusdanig grote belangen bij het gedrag van de ander dat ze een handicap zijn bij het helpen van die
dierbare naaste als deze problemen heeft. De persoon met de problemen blijft rekening houden met
zijn naasten en kan daarom soms niet vrijuit praten over zijn zielenroerselen. bovendien komt
autoritair gedrag misschien niet altijd voort uit machtswellust en eigenwijsheid, maar evenzeer uit
verantwoordelijkheidsbesef en zorg voor de persoon.
2.2 De gezindheid van de hulpverlener
Twee typen hulpverleners onderscheiden. Hierbij worden de volgende vragen als richtlijn genomen:
- Hoe wil de hulpverlener dat mensen leven en welk doel wil hij met hen bereiken?
- Hoe wil de hulpverlener dat doel bereiken?
- Wat zijn de belangen die op het spel staan bij hulpverlener en cliënt?
, Diagnose-receptgesprek
Voorkeur van cliënt voorlopig weinig kans. Na het stellen van de diagnose door de
psychologe komt het recept voor de oplossing van de problemen tot stand. De kans is echter
groot dat het individuele normen- en waardenpatroon van de cliënt en zijn persoonlijke
voorkeuren niet tot hun recht zijn gekomen. Psychologe kan objectiever oordelen. Cliënt is
object van onderzoek. Het eenrichtingsverkeer in het gesprek tussen psychologen en cliënt
heeft als bezwaar dat ieders opvattingen over hoe om te gaan met het advies en eventuele
complicerende gedachten van de cliënt niet tot hun recht kunnen komen. Deze methode
heeft als gevaar dat het belang van de psychologe en deskundig te lijken leidt tot een te
doelgerichte en eenvoudige aanpak van problemen. Door het gesprek zelf in de hand te
houden en de cliënt weinig ruimte laten, loopt de ‘deskundige’ weinig gevaar terecht te
komen op zijsporen of bij andere problemen waar zij zich geen raad mee weet. Dat zou
gezichtsverlies en verlies van controle over de situatie betekenen. Angst voor onzekerheid
van een wat opener en meer zoekende manier van werken met cliënten leidt tot het
afhouden van persoonlijke getinte onderwerpen of tot een veel te voorbarige definiëring van
problemen en oplossingen. Het woord van de deskundige is geen wet meer, maar misschien
de moeite van het overwegen waard; temeer als de argumenten die tot dat woord leiden
duidelijk kunnen worden uitgelegd. Onduidelijkheid en geslotenheid kunnen hierbij
aanleiding zijn voor onbegrip en argwaan bij de cliënt, zeker als het gaat om oplossingen voor
persoonlijke problemen. Vrije communicatie in de relatie tussen hulpverlener en cliënt is van
belang. Adviezen die met grotere duidelijkheid en openheid in de benadering van de
betrokkenen en meer overleg met hen tot stand waren gekomen, werden vaker opgevolgd
Samenwerkingsmodel
Cliënt moet zelf een oplossing voor zijn problemen kiezen. Dit is meer een norm over de
vorm, de manier van leven – hoe te kiezen – dan over de inhoud: wat te kiezen. Streven is
mensen zich ook zelf verantwoordelijk blijven voelen voor hun vragen, problemen en de al
dan niet aanwezige oplossing daarvoor. Cliënt moet zelf gaan nadenken over zijn probleem.
Een belangrijk aspect in deze werkmethode is dat de psychologe zich zeer bewust als doel
stelt een beter inzicht in de gevoels-, denk-, en leefwereld van de cliënt te vormen. Ook is ze
erop uit een goed beeld te krijgen van de wijze waarop de cliënt zelf al bezig is geweest om
zijn probleem op te lossen. Ze probeert zich zo goed mogelijk te verplaatsen in zijn
belevingswereld. Ze doet dat om daarin zelf een goed inzicht te krijgen en zo de cliënt te
kunnen helpen bij de verheldering en verfijning van zijn eigen visie op zijn eigen vragen.
Cliënt zoveel mogelijk partner in het gesprek. Psychologe en cliënt werken samen aan de
verheldering, nuancering en behandeling van zijn vragen. Met het actief betrekken van de
cliënt bij het proces van probleem oplossen probeert zij hem ook iets te leren over de manier
waarop een dergelijk proces verloopt. Op die manier wordt de kans groter dan de cliënt bij
volgende problemen of vragen beter in staat is zelf een oplossing te vinden. Dit is in lijn met
de opvattingen te bevorderen dat mensen zo veel mogelijk vrij hun eigen weg moeten
kiezen. Vrij betekent in dit verband met meer inzicht in dat wat zich in en om hen heen
afspeelt, met meer vaardigheid om die processen te beïnvloeden, en dus met meer
beheersing van hun levenspad. Verschil in opvatting tussen cliënt en hulpverlener moet apart
besproken worden. Er ontstaat een onderhandelingssituatie waarin niet alleen de wens van
de cliënt vooropstaat, maar waarbij ook de wensen en mogelijkheden van werken van de
hulpverlener een rol spelen die misschien wel doorslaggevend is (bijv. cliënt wil alleen advies
over feitelijke deel). Door een gezindheid van zich willen verplaatsen in de belevingswereld
van de cliënt kan er een sterkere identificatie met die cliënt ontstaan. Psychologe gebruikt
haar kennis van menselijk functioneren om mogelijke consequenties van bepaalde
denkwijzen en gedragingen aan de cliënt voor te leggen.
2.4 De geraffineerde hulpverlener
Hulpverlener probeert de feiten en gevoelens die de cliënt uit te ordenen, in hun samenhang te
plaatsen en aan te voelen zoals de cliënt ze beleeft. Zij probeert een beeld te krijgen van de denk-,