Tijdvak 1: jagers en boeren
Jagers en boeren
3000 v. Chr.
Prehistorie (tijd zonder geschreven schrift)
De oorsprong van mensachtige ligt in Afrika. Denkende mens: Homo sapiens
Jagers en verzamelaars leiden een nomadisch bestaan, ze trekken rond op
zoek naar voedsel.
Het vlees, de huid en de botten van gedode dieren werden gebruikt als
voedsel, kleding, tent en gereedschap.
Voor de jacht gebruikten ze speren en pijlen met een vuursteenpunt. De
rendierjagers leefden in tenten / eenvoudige hutten.
Vlaardingencultuur jagers en vissers lente: vissen, herfst: noten en
vruchten zoeken, hele jaar door jagen.
Jagers en verzamelaars trokken rond in kleine groepen. Iedereen hielp mee
bij de jacht / het verzamelen. Ze hadden weinig bezittingen. Weinig
archeologische sporen.
Landbouw ontstaat als de mensen niet meer kunnen leven van de natuur en
daar zelf invloed op uit gaan oefenen.
Boeren bleven bij hun akkers wonen in boerderijen. Produceren voedsel. Niet
iedereen hoefde zich met werken op het land bezig te houden en konden
zich specialiseren (pottenbakker). De boeren ontwikkelde nieuwe technieken
(spinnen en weven van wol)
Jonge dieren werden in gevangenschap opgefokt. Sedentair bestaan (droge
gebieden)
Afvalhopen en dieren rond de nederzetting vormden een bron van nieuwe
ziekten (griepvirus, pokken en q-koorts)
Overgang van verzamelaar naar producent wordt Agrarische / Neolithische
Revolutie genoemd.
Bandkeramiekcultuur (5300 – 4900 v. Chr.) Boeren kregen deze naam door
opvallende versiering in de vorm van een band op het aardewerk.
Trechterbekercultuur (3500 – 2700 v. Chr.) Boeren kregen deze naam door
de trechtervormige potten, bekers en schalen.
Deze boeren gaven hun overledenen potten, sieraden en wapens mee in
hun hunebed.