Om in behoeften te voorzien hebben mensen goederen nodig. Veel goederen zijn
alternatief aanwendbaar: ze kunnen op verschillende manieren gebruikt worden.
De budgetlijn geeft aan hoe jij je budget verdeeld tussen twee producten.
Opofferingskosten zijn kosten die je niet kiest dus verloren gaan.
Bijv. je kan gaan werken en 50 euro verdienen of je gaat naar het strand en betaald
25 euro. De opofferingskosten zijn 75 euro.
Zonder scheiding tussen consumptie en productie is er vrijwel geen ruimte voor
arbeidsdeling of specialisatie.
Goederen ruilen voor goederen is directe ruil.
Goederen ruilen voor geld en daarmee goederen kopen is indirecte ruil.
Economie hoofdstuk 2
Als de prijzen heel snel stijgen spreken we van een hyperinflatie.
Geld kan worden gebruikt als:
Ruilmiddel: je moet elkaar betalen voor producten of diensten
Rekenmiddel: je kunt makkelijk waarde van bepaalde zaken met elkaar
vergelijken.
Oppotmiddel: je kan het sparen. Je kan het dan later nog eens uitgeven.
De waarde die op het biljet vermeld staat noemen we de nominale waarde.
De waarde van het materiaal van het geld is de intrinsieke waarde.
Chartaal geld: dat bestaat uit munten en biljetten
Giraal geld: wat je direct kan opeisen bij de bank. Bankrekening
Het totale van deze twee noemen we de maatschappelijke geld hoeveelheid.
Met de liquiditeit bedoelen we de mate waarin een onderneming in haar korte
termijnverplichtingen kan voldoen.
Liquiditeit= (kas + tegoed centrale bank) : rekeningcouranttegoeden x 100%
De maatschappelijke geld hoeveel kan toe nemen : geldschepping
Of afnemen: : geldvernietiging
Economie hoofdstuk 3
Aantal aanbieders Aard van het product marktvorm
Één Homogeen Monopolie
Weinig Heterogeen Heterogene oligopolie
Weinig Homogeen Homogene oligopolie
Veel Homogeen Volkomen concurrentie
Veel Heterogeen Monopolistische
concurrentie
, Perfecte markt: aanbieders hebben geen enkele invloed op de prijs.
Niet-perfect werkende markt: hebben aanbieders wel invloed op de prijs.
Vraagcurve:
We kunnen in een grafiek het verband tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid
weergeven
De prijs stijgt gevraagde hoeveelheid neemt af
Prijs daalt gevraagde hoeveelheid neemt toe
Aanbodcurve:
Prijs stijgt aangeboden hoeveelheid neemt toe.
Prijs daalt aangeboden hoeveelheid neemt af.
Evenwichtsprijs: gevraagde hoeveelheid is gelijk aan de aangeboden
hoeveelheid.
Economie hoofdstuk 4
Consumenten surplus: verschil tussen de betalingsbereidheid en de prijs die je
moet betalen.
Vraaglijn
Lijn die de vraag aangeeft bij een bepaald product met een bepaalde prijs.
Kan verschuiven naar rechts door:
Het budget van de consumenten is toegenomen
De voorkeur van de consumenten voor een bepaald product is toegenomen
De prijs van andere producten is veranderd
Het aantal vragers neemt toe
Substitutiegoederen
Goederen die je in de ogen van de consument kunt vervangen door andere
goederen:
Bessen aardbeien
Complementaire goederen
Goederen die altijd worden gebruikt met andere goederen
Minder auto’s minder benzine
Prijselasticiteit
Door een eenvoudige berekening kunnen we bepalen hoe de gevraagde hoeveelheid
veranderd op de veranderde prijs.
procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid
Prijselasticiteit = ----------------------------------------------------------------------------
procentuele verandering van de prijs