Strafrecht 1
Leerjaar 2015 - 2016
Inhoudsindicatie: een volledig overzicht van de
hoorcollege-stof en een samenvatting van het
boek.
,Week 1A
Materiele en formele vragen
Stap 1: Formele vragen / voorvragen – art. 348 Sv
1. Is de dagvaarding geldig?
2. Competentie rechter
• Absoluut
• Relatief
3. Is het OM/OVJ ontvankelijk?
• Verjaring
4. Redenen voor schorsing?
• Art. 16 Sv
= Formele einduitspraken
Stap 2: Materiele vragen / hoofdvragen – art. 350 Sv
1. Is het feit bewezen?
• Art. 338 e.v. Sv – wettige bewijsmiddelen
• Vrijspraak
2. Levert het bewezene een strafbaar feit op? (Strafbaarheid van het feit)
• Kwalificeerbaarheid / Stemt de bewezenverklaring in onderdelen overeen
met de bestanddelen van een bepaalde wettelijke delictsomschrijving?
• OVAR, wegens niet strafbaarheid van het feit
3. Is de dader strafbaar? (Strafbaarheid van de dader)
• Is er sprake van een schulduitsluitingsgrond of een rechtvaardigingsgrond?
• OVAR, wegens niet strafbaarheid van de dader
4. Welke sanctie opleggen?
= Materiele einduitspraken (veroordeling, vrijspraak en OVAR zie art. 351 Sr en art.
352 Sr)
Materieelrechtelijke kernbetekenis van het legaliteitsbeginsel ex. art. 1 lid 1 sr
Menselijk gedrag kan alleen strafbaar zijn als het onder een ten tijde van het
verrichten van dit gedrag bestaande wettelijke delictsomschrijving valt. Als in dit
gedrag alle bestanddelen van een bepaalde delictsomschrijving zijn terug te
vinden.
Bewezenverklaring en tenlastelegging
De bewezenverklaring moet op de grondslag van de tenlastelegging berusten en
dus dient ook de tenlastelegging alle bestanddelen van een bepaalde
delictsomschrijving te behelzen.
Strafuitsluitingsgronden
De vraag of er sprake is van een strafuitsluitingsgrond komt pas aan de orde als is
vastgesteld dat het feit onder een bepaalde delictsomschrijving valt.
Rechtvaardigingsgronden Schulduitsluitingsgronden
- Werken meer algemeen - Werken meer persoonlijk
- Nemen strafbaarheid van het feit weg - Nemen strafbaarheid van de dader weg
,Elementen
Dit zijn stilzwijgende elementen van ieder strafbaar feit
1. wederrechtelijkheid (van het feit)
2. verwijtbaarheid (schuld van de dader)
Ongeschreven recht, verdragsrecht, supranationaal recht
Strafbaarstelling moet een basis hebben in een WFZ (zie art. 16 GW). Het vereiste
van een wettelijke strafbepaling moet bestraffing o.g.v. gewoonterecht uitsluiten.
In Nederland: Strafbaarheid mag niet op ongeschreven recht worden gebaseerd,
maar op de wet gebaseerde stafbaarheid mag wel o.g.v. ongeschreven recht
worden ingeperkt.
⇒ Ongeschreven beginsel van Nederlandse strafrecht: geen straf zonder schuld
(AVAS)
⇒ Supranationaal strafrecht: verdragen waarbij Nederland een deel van zijn
strafrechtelijke autonomie prijsgeeft
Wetboek van Strafrecht; algemeen deel
Klassieke/commune misdrijven: dit zijn overtredingen van normen die hecht
verankerd zijn in de positieve moraal. (vb. doodslag, verkrachting, mishandeling,
vrijheidsberoving, diefstal en oplichting). Strafbaarheid van deze gedragingen is
bijna van alle tijden en alle plaatsen.
Delictsomschrijving
Er worden feiten (gedragingen) omschreven die tot bestraffing aanleiding kunnen
geven. In de strafbaarstelling ligt impliciet besloten dat het gedrag verboden
(wederrechtelijk) is.
Krenkings- en gevaarzettingsdelicten
⇒ Rechtsgoederen: rechtsbelangen. Strafbepalingen worden immers in het
leven geroepen met he toog op de bescherming van bepaalde
rechtsbelangen.
⇒ Krenkingsdelicten: voorbeeld : (door het wegenemen van een goed, wordt
er inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de ander)
o Doodslag, dood door schuld, diefstal, verduistering en
wederspannigheid
⇒ Gevaarzettingsdelicten
o Concrete gevaarzettingsdelicten: voldoende voor strafbaarheid is dat
een gevaarlijke situatie is geschapen, er is niet vereist dat het gevaar
zich heeft verwerkelijkt.
o Abstracte gevaarzettingsdelicten: vaak te vinden in bijzondere wetten.
De wetgever treedt preventief op. Hij verbiedt gedragingen die
mogelijk tot krenkingen van het beschermde rechtsgoed ouden
kunnen leveren. Een concreet gevaar is dus niet vereist. Geboden en
verboden. (Wordt verondersteld ‘gevaarlijk’ te zijn)
,Nulla poena sine praevia lege poenali / nulla poena-beginsel
Om de burger te beschermen tegen willekeur dient de overheid bij het uitoefenen
van macht gebonden te zijn aan regels.
Leer van Von Feuerbach:
1. iedere toepassing van straf kan slechts gebaseerd zijn op een voorafgaande
strafwet (nulla poena sine praevia lege)
2. Toepassing van straf is slechts mogelijk, wanneer de door de wet met straf
bedreigde gedraging heeft plaatsgevonden (nulla poena sine crimine)
3. De wettelijk met straf bedreigde gedraging heeft tot rechtsgevolg, dat de door de
wet daarop gestelde straf wordt toegepast (nullum crimen sine poena legali)
Vereisten voor strafbaarheid:
- wettelijke strafbepaling
- het feit moet zijn voorafgegaan (geen terugwerkende kracht dus)
Inhoud nulla-poena regel:
1. Straf moet berusten op een wet (geschreven strafbepaling – hoeft niet perse WFZ
te zijn! Kan ook in lagere regelgeving neergelegd zijn)
2. Verbod van terugwerkende kracht.
De wettelijke strafbepaling moet aan het feit voorafgegaan zijn.
3. Het ‘Bestimmtheitsgebot’ / lex certa-beginsel / eis van bepaaldheid (voldoende
duidelijk)
Rechtszekerheid is gediend met nauwkeurige omschrijving van strafbare feiten en
de op te leggen straffen. Burger weet precies waar hij aan toe is. De wetgever
moet vage strafbepalingen vermijden.
4. Verbod van analogie
Alleen een gedraging die aan een wettelijke omschrijving beantwoordt kan
aanleiding geven tot bestraffing. Hiermee is analogische toepassing van
strafbepalingen uitgesloten. Extensief (en restrictief) interpreteren is wel toegestaan.
Interpretatie, analogie
4 methoden interpretatie
1) taalkundige/grammaticale: rechter let op: gangbare betekenis van het
woord in gewone taalgebruik of op het zinsverband
2) teleologische: rechter kijkt naar bedoeling van wetgever of naar beginselen
die wetgever aan zijn bepalingen ten grondslag heeft gelegd of de eisen die
de samenleving stelt
3) systematische: rechter laat uitleg van een bepaling afhangen van het
systeem van de regeling waarin de bepaling staat
4) historische: rechter gaat voor uitleg van een bepaling na wat hierover is
gezegd bij totstandkoming van de wet (wetshistorisch) of de vroegere
regelingen (rechtshistorisch)
,Algemene voorwaarden voor strafbaarheid
1) Er moet sprake zijn van een gedraging (=handelen of nalaten, een gedachte
alleen is niet strafbaar) door een persoon
a. Verwijtbaarheid: dit impliceert dat de dader zich heeft gedragen.
Zonder gedraging geen schuld.
b. Persoon: natuurlijke personen & rechtspersonen
c. Eigen gedrag: men kan alleen voor zijn eigen gedrag worden gestraft,
maar ook functioneel daderschap!
Boosaardige gedachte of wil: deze kan geen reden zijn om te straffen
2) die aan bestanddelen van een verbindende en toepasselijke
delictsomschrijving voldoet (legaliteitsbeginsel ex. art. 1 lid 1 Sr jo 16 Gw)
3) De gedraging moet wederrechtelijk zijn (geen rechtvaardigingsgrond
aanwezig)
De gedraging moet in strijd zijn met het recht. Zonder wederrechtelijkheid geen
verwijtbaarheid.
= elementen wederrechtelijkheid
4) De wederrechtelijke gedraging moet verwijtbaar zijn (geen
schulduitsluitingsgrond). De dader moet in staat zijn geweest de (niet
gerechtvaardigde) rechtsgoedkrenking/gevaarzetting te vermijden.
= elementen schuld/verwijtbaarheid
Bestanddeel, bewijs, kwalificatie
⇒ Bestanddelen: deze vormen voorwaarden voor de strafbaarheid
⇒ Kwalificatie als strafbaar feit betekent dat aan de nulla poena regel is
voldaan
⇒ Onverbindendheid strafbepaling: indien deze niet berust op een wfz
⇒ Feit: een gedraging van de dader (de dader moet een minimale handelings-
en wilsvrijheid hebben gehad)
o Minimale vrijheid wordt ingelezen in de delictsomschrijving
Rechter & de tenlastelegging
De rechter is bij de bewijsvraag gebonden aan de tenlastelegging. Daarnaast
vragen delictsomschrijvingen om uitleg. De vraag wat de bestanddelen aan een
delict zijn, is een vraag van wetsinterpretatie. Soms is er sprake van een stilzwijgend
bestanddeel. Stilzwijgende bestanddelen mogen doorgaans in de tenlastelegging
worden ingelezen en hoeven niet apart door de OVJ ten laste worden gelegd.
Bronnen strafrecht
- Wetboek van Strafrecht
- Wetboek van Strafvordering
- Bijzondere wetten
- Lagere regelgeving
- EVRM
- EU-verdrag & EU-Handvest
,Objectieve en subjectieve bestanddelen
Objectief: een bestanddeel dat objectief vastgesteld kan worden.
- de dood
- verband tussen gedraging en dood (“van het leven beroven”)
Subjectief: een bestanddeel dat iets zegt over de geestesgesteldheid van de dader.
Het zegt iets over de geestesgesteldheid waarmee de dader de gedraging heeft
uitgevoerd.
- opzettelijk
- schuld (onvoorzichtigheid) / culpa
- ten tijde van… wist / redelijkerwijs had moeten vermoeden (kunnen weten)
Commissiedelicten & omissiedelicten
Commissiedelict: delict dat wordt gepleegd door actief optreden (iets doen) van de
dader.
- schieten
- wurgen
Omissiedelict: een strafbaar feit plegen door nalaten (niets te doen).
- ouder geeft kind geen eten en drinken (oneigenlijk omissiedelict)
Door het gevolg gekwalificeerde delicten
Er is een grondfeit (gronddelict: misdrijf) deze is al strafbaar, maar indien er een
ernstiger gevolg intreedt (dood ten gevolge), gaat de straf omhoog en maakt het
delict ernstiger. Opzet hoeft niet op de dood gericht te zijn, maar deze komt toch
voor de rekening van de dader. Er is namelijk wel een verband tussen het misdrijf en
de dood tot gevolg.
Schuldverband: de betrokkenheid van opzet/culpa (subjectieve bestanddelen) op
de objectieve bestanddelen
Geobjectiveerd bestanddeel: als niet alle objectieve bestanddelen onder het
schuldverband vallen, dus het is een bestanddeel dat onttrokken is.
,Week 1B
Doleuse misdrijven en culpose misdrijven
Doleuse: wanneer er blijkens de delictsomschrijving sprake is van opzet (dolus)
is vereist.
Culpose misdrijven: wanneer er blijkens de delictsomschrijving sprake is van
schuld (culpa) is vereist.
⇒ Kent geen elementen, want met de culpa is de verwijtbaarheid en
derhalve ook de wederrechtelijkheid gegeven. Culpa impliceert de
verwijtbaarheid = dit is onderdeel van bestanddeel culpa.
Schuld is verwijtbaarheid
Dit houdt in dat voor strafbaarheid schuld is vereist en dit wil zeggen dat de dader
van de inbreuk op de strafwet een verwijt moet kunnen worden gemaakt.
Verwijtbaarheid = gelijk aan vermijdbaarheid, want de dader had het overtreden
van de strafwet moeten kunnen vermijden. (de mogelijkheid om anders te kiezen)
Schuld als algemene voorwaarde strafbaarheid
Dat schuld een algemene voorwaarde is, betekent dat dit voor elk delict een
voorwaarde is (zowel misdrijven als overtredingen).
Strafuitsluitingsgronden
Deze komen pas in beeld als sprake is van een door de dader begaan feit. Dit feit
moet daarnaast strafbaar zijn. Van een strafbaar feit mag worden aangenomen dat
het in strijdt met het recht is en dat het aan de dader te verwijten valt (elementen).
⇒ Komen altijd aan de orde NA de kwalificatiebeslissing
Bijzondere strafuitsluitingsgrond
De exceptie beperkt zich tot 1 of meer (bijzondere) delicten.
Strafuitsluitingsgronden in een schema
Wettelijke of geschreven Ongeschreven
strafuitsluitingsgronden strafuitsluitingsgronden
• ontoerekeningsvatbaarheid • afwezigheid van alle schuld
• overmacht (AVAS)
• noodweer en • het ontbreken van de
noodweerexces materiele
• wettelijk voorschrift wederrechtelijkheid
• bevoegd en onbevoegd
(lid 2) gegeven ambtelijk
bevel
,Schulduitsluitingsgrond
Deze werkt persoonlijk en daardoor kunnen eventuele deelnemers aan het strafbare
feit in de regel wel strafbaar bevonden worden. (art. 50 Sr)
Overmacht - twijfelgeval
Er zijn gevallen waarin overmacht een rechtvaardigingsgrond oplevert, maar er zijn
ook gevallen waarin overmacht de verwijtbaarheid uitsluit.
Historische ontwikkeling – gedachte wetgever rond 1880
De strafuitsluitingsgronden werden ingedeeld naar inwendige & uitwendige
excepties:
Inwendige excepties: hiervan wordt gesproken als de straf-uitsluitende
omstandigheid in de persoon van de dader is te vinden.
1. De jeugd van de dader
2. De gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van de geestesvermogens van de
dader
3. ontoerekeningsvatbaarheid
Uitwendige excepties: een van buiten komende factor die de normale mens
zodanig in hun greep krijgen, dat hij een strafbaar feit pleegt.
1. overmacht
2. noodweer
3. ambtelijk bevel
4. wettelijk voorschrift
Beoordeling van ontoerekeningsvatbaarheid (3 vragen)
Hierbij is niet de vraag of de dader toerekeningsvatbaar is, maar wel is de vraag “of
het gepleegde feit hem kan worden toegerekend”. (= ‘er voor verantwoordelijk
achten’). De exceptie van ontoerekeningsvatbaarheid is persoonsgebonden. Het
feit moet de dader wegens de stoornis niet kunnen worden toegerekend. Er moet
dus een causale relatie tussen stoornis & gepleegde feit zijn.
Vraag 1: Was er sprake van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke
stoornis van de geestesvermogens?
Vraag 2: Zo ja, bestaat er causaal verband tussen stoornis & delict?
Vraag 3: Zo ja, is dat een reden om de dader het gepleegde feit niet
toe te rekenen?
⇒ Geen straf opleggen, wel maatregel, geen TBS
Verminderde toerekeningsvatbaarheid
Hiermee wordt bedoeld dat de dader door een ziekelijke storing of gebrekkige
ontwikkeling van de geestesvermogens weliswaar niet ten volle de
verantwoordelijkheid kan dragen, maar niet gezegd kan worden dat hem geen
enkel verwijt treft.
⇒ Eventueel verlaagde straf opleggen, wel maatregel, ook TBS
, Overmacht
Een van buiten komende kracht, die hetzij door de ons omringende natuur, hetzij
door een ander mens wordt uitgeoefend. Deze dwang is niet zodanig dat het
slachtoffer niet meer zelf handelt. Aan deze drang kon hij redelijkerwijs geen
weerstand bieden.
1. Absolute overmacht: het slachtoffer zal niet meer als dader worden
beschouwd.
2. Relatieve overmacht: er is sprake van een zodanige pressie dat van de
dader niet gevergd kan worden dat hij anders handelde dan hij heeft
gedaan
3. Putatieve overmacht: er is sprake van een misverstand, welke achteraf aan
het licht komt = GEEN STRAFUITSLUITING
Een beroep op overmacht is uitgesloten indien de verdachte zichzelf onnodig in de
noodsituatie heeft gebracht = culpa in causa.
Twee soorten overmacht:
Psychische overmacht Overmacht als noodtoestand
• er wordt op de dader een • de dader neemt een
druk uitgeoefend die zijn weloverwogen beslissing bij
wilsvrijheid aantast conflict tussen twee kwaden
• schulduitsluitingsgrond • rechtvaardigingsgrond
Overmacht noodtoestand
- psychische drang wordt niet veroorzaakt door een (nood)situatie, wel door
een maatschappelijke verplichting
- strijd tussen maatschappelijke verplichting & de plicht om de wet na te leven
- weloverwogen afweging maken tussen een conflict van plichten
- gerechtvaardigd doel bereiken
- er domineert geen psychische spanning
• rechtvaardigingsgrond
Subsidiariteit en proportionaliteit
Subsidiariteit: de overmacht rechtvaardigt het handelen pas indien de dader geen
andere keus had.
Proportionaliteit: het belang dat door het plegen van het strafbare feit wordt gered,
dient van meer gewicht te zijn dan het belang dat door de overtreding van de
strafwet wordt aangetast.