Pedagogiek periode 3, jaar 1
Begrippen
Autonomie; zelfstandigheid.
Circulair proces; actie en reactie. Ouder geeft liefde en kind reageert met liefde terug.
Emotionele opvoeding; uitingen van liefde, veiligheid, sensitief en responsief.
Gedragsregulatie; in goede banen leiden van bv. agressief gedrag.
Materiële opvoeding; lichamelijke verzorging, voeding, huisvesting, kleding etc.
Responsiviteit; de mate waarin ouders adequaat reageren op signalen van het kind.
Sensitiviteit; het gevoelig zijn en juist interpreteren van de signalen die het kind aangeeft.
Uniciteit; elk mens is anders en dus uniek in karaktereigenschappen.
Pedagogiek is een opvoedingswetenschap. Opvoeding is overdracht van normen en
waarden, circulair proces met rode draad, uniciteit en materiële en emotionele opvoeding. De
ouder is wettelijke vertegenwoordiger van kind met ouderlijk gezag tot 18 jaar.
Vier basisdimensies volgens Rispens, Hermanns en Meeuws:
1. Ondersteuning bieden (warmte en affectie, sensitiviteit en responsiviteit; met een
emotionele of materiële beloning of straf of gedrag negeren).
2. Instructie geven (strategieën en verantwoordelijkheid ontwikkelen door gevraagde of
ongevraagde instructies).
3. Controle uitoefenen (straffen en verbieden door machtsuitoefening, restrictiviteit of
autoritaire controle of uitleggen en informatie en inductie (aansporing) geven door
autoritatieve controle).
4. Grenzen stellen (plaatsvinden van gedragsverandering door beïnvloeding van belonen en
straffen, ofwel behaviorisme voor zelfstandigheid en zelfredzaamheid).
Pedagogische opvoedingsdoelen ofwel ‘de drie Z’s):
Toepassen van deze doelen is gericht op intentioneel opvoedgedrag, de ouders zijn gericht
om doelstellingen te bereiken bij het kind.
1. Zelfstandigheid (individu; zelf beslissingen maken en mogelijkheden ontdekken).
2. Zelfredzaamheid (samenleving; vorm geven aan toekomstige rol in samenleving door
verantwoordelijkheid).
3. Zelfvertrouwen (toekomst; praktische problemen oplossen en bijdrage leveren aan
toekomst).
(4. zelfontplooiing (eigen vermogen om verder te ontwikkelen).
Wanneer een kind zelfstandiger wordt, krijgt het meer zelfvertrouwen en dus meer
zelfredzaamheid. Door de vier basisdimensies worden de drie Z’s ontwikkeld.
Levensovertuiging van ouders speelt rol in opvoeding in bv. schoolkeuze. Deze is gebaseerd
op religieuze levensovertuiging en cultuur dat in opvoeding tot uiting komt. Bij sociale
vorming komt lichaam en geest tot uiting in bv. sport of hobby.
In een opvoedrelatie is er sprake van gelijkwaardigheid, wederzijds respect en wisselwerking
(geven en nemen). Ook veiligheid en intimiteit spelen een rol voor veilig hechten aan een
hechtingsfiguur. Opvoedgedrag kent drie kenmerken: sensitief, responsief en continuïteit en
Begrippen
Autonomie; zelfstandigheid.
Circulair proces; actie en reactie. Ouder geeft liefde en kind reageert met liefde terug.
Emotionele opvoeding; uitingen van liefde, veiligheid, sensitief en responsief.
Gedragsregulatie; in goede banen leiden van bv. agressief gedrag.
Materiële opvoeding; lichamelijke verzorging, voeding, huisvesting, kleding etc.
Responsiviteit; de mate waarin ouders adequaat reageren op signalen van het kind.
Sensitiviteit; het gevoelig zijn en juist interpreteren van de signalen die het kind aangeeft.
Uniciteit; elk mens is anders en dus uniek in karaktereigenschappen.
Pedagogiek is een opvoedingswetenschap. Opvoeding is overdracht van normen en
waarden, circulair proces met rode draad, uniciteit en materiële en emotionele opvoeding. De
ouder is wettelijke vertegenwoordiger van kind met ouderlijk gezag tot 18 jaar.
Vier basisdimensies volgens Rispens, Hermanns en Meeuws:
1. Ondersteuning bieden (warmte en affectie, sensitiviteit en responsiviteit; met een
emotionele of materiële beloning of straf of gedrag negeren).
2. Instructie geven (strategieën en verantwoordelijkheid ontwikkelen door gevraagde of
ongevraagde instructies).
3. Controle uitoefenen (straffen en verbieden door machtsuitoefening, restrictiviteit of
autoritaire controle of uitleggen en informatie en inductie (aansporing) geven door
autoritatieve controle).
4. Grenzen stellen (plaatsvinden van gedragsverandering door beïnvloeding van belonen en
straffen, ofwel behaviorisme voor zelfstandigheid en zelfredzaamheid).
Pedagogische opvoedingsdoelen ofwel ‘de drie Z’s):
Toepassen van deze doelen is gericht op intentioneel opvoedgedrag, de ouders zijn gericht
om doelstellingen te bereiken bij het kind.
1. Zelfstandigheid (individu; zelf beslissingen maken en mogelijkheden ontdekken).
2. Zelfredzaamheid (samenleving; vorm geven aan toekomstige rol in samenleving door
verantwoordelijkheid).
3. Zelfvertrouwen (toekomst; praktische problemen oplossen en bijdrage leveren aan
toekomst).
(4. zelfontplooiing (eigen vermogen om verder te ontwikkelen).
Wanneer een kind zelfstandiger wordt, krijgt het meer zelfvertrouwen en dus meer
zelfredzaamheid. Door de vier basisdimensies worden de drie Z’s ontwikkeld.
Levensovertuiging van ouders speelt rol in opvoeding in bv. schoolkeuze. Deze is gebaseerd
op religieuze levensovertuiging en cultuur dat in opvoeding tot uiting komt. Bij sociale
vorming komt lichaam en geest tot uiting in bv. sport of hobby.
In een opvoedrelatie is er sprake van gelijkwaardigheid, wederzijds respect en wisselwerking
(geven en nemen). Ook veiligheid en intimiteit spelen een rol voor veilig hechten aan een
hechtingsfiguur. Opvoedgedrag kent drie kenmerken: sensitief, responsief en continuïteit en