Leerdoel 1.1: Waaruit bestaat werkprestatie?
Leerdoel 1.2: Hoe ontstaan verschillen?
Sonnentag, S., & Frese, M. (2002). Performance concepts and performance theory
Inhoud: een samenvatting van de grote lijnen in prestatie-gerelateerd onderzoek.
Relevantie individuele prestatie:
- Organisatie: hoog presterende individuen zijn nodig voor het behalen van doelen, opleveren
producten en services en om een competitief voordeel te krijgen.
- Individu: tevredenheid met gevoel mastery en trots (vermijden falen). Vaak ook beloningen.
- Onderzoek: een groot deel (55%) van de onderzoeken in organisatiepsychologie bekijken het
op individu-niveau.
Definitie: er moet onderscheid worden gemaakt in actie en uitkomst. Actie is gedrag wat men
uitvoert in de werksituatie en relevant is voor de doelen van de organisatie. Dit moet gemeten
kunnen worden. Uitkomsten zijn de consequenties van de gedragingen. Deze zijn vaak niet
alleen afhankelijk van het individu’s gedrag.
Gedragsaspect wordt aangehouden in dit hoofdstuk.
Prestatie als multidimensionaal concept:
1) Taak prestatie: de professionele bekwaamheid waarmee iemand de activiteiten uitvoert die
bijdragen aan de organisaties “technische kern”. Dit kan direct (productiemedewerkers) en
indirect (manager).
2) Contextuele prestatie: activiteiten die bijdragen aan de organisatorische, sociale en
psychologische omgeving.
Assumpties:
1) Relevante activiteiten verschillen per baan terwijl contextuele activiteiten redelijk constant zijn.
2) Taakprestatie is gerelateerd aan vermogen, contextuele prestatie aan persoonlijkheid en motivatie.
3) Taakprestatie is meer voorgeschreven en is in-rolgedrag, contextuele prestatie is discretionair (zelf
beoordelen) en is extra-rolgedrag.
Taakprestatie: bestaat uit 5 factoren 1) bekwaamheid werk-specifieke taken 2) niet-werk-
specifieke taakbekwaamheid 3) geschreven/orale communicatiebekwaamheid 4) supervisie 5)
management/administratie. Elk heeft sub-factoren die kunnen verschillen per werksoort.
Contextuele prestatie: twee type, 1) gedrag gericht op huidige organisatie (altruïsme,
consciëntieusheid, deugd, gunsten, sportiviteit) 2) proactief gedrag gericht op veranderen/verbeteren
werkprocedures en organisatieprocessen (initiatief, leiding nemen).