Hoorcollege 1 25-4-16
Doelen:
De student heeft inzicht in de rol van onderwijs (als zijnde schakel tussen gezin en
maatschappij) in onze huidige maatschappij.
De student heeft kennis m.b.t. de pedagogische opdracht van de school en kan vanuit
die kennis invulling geven aan (nadenken over) de pedagogische opdracht van het
onderwijs.
Morele opvoeding (moreel: wat te maken heeft met hoe het hoort) (1):
Twee tegengestelde pedagogische opvattingen:
• In navolging van Rousseau dachten veel opvoeders dat je alleen maar de natuur
hoefde te volgen. Het kind zou dan vanzelf een geweten vormen. Opvoeden als laten
groeien. Het gaat vanzelf.
• Anderen, volgelingen van Herbart, waren het daar niet mee eens. Zij vonden dat je
deugden, net als kennis, bij moet brengen. In de opvoeding moet je inwerken op het
kind en niet alleen laten groeien.
Opvoeding is initiatie door participatie en communicatie – Berding en Pols (Dewey deelt
deze mening)
Initiatie van institutie: situaties voorleggen
Participatie: kind mag zelf meedoen
Communicatie: praten
Het kind leert door aan activiteiten deel te nemen en door te communiceren over de
ervaringen die het daarbij opdoet. Je leert van en met anderen. Communicatie is daarbij
essentieel. Communicatie is geen educatie!
Bijvoorbeeld: een hond van een jongen dreigt afgemaakt te worden, de jongen schrijft
samen met zijn klasgenoten en meester een brief (hij gebruikt nieuwe gereedschappen), hij
leert wat de betekenis van de brief is en wat het nut van het schrijven is. Door te
participeren en te communiceren word de jongen bewust van het schrijven van een brief.
Beter voorbeeld vragen!
Morele opvoeding (2):
De opvoeder als moreel model
Opvoeding volgens Kant:
• Disciplinering -> luisteren naar de juf. Wennen aan orde, structuur en regels.
• Cultivering -> samenleven in een groep, niet door elkaar heen praten. aan elkaar
aanpassen. Kennis en vaardigheden
• Civilisering -> kinderen de mogelijkheid geven dat zij inbreng kunnen inbrengen, het
kunnen ook deugden zijn. Gaat om omgangsvormen en deugden. Bijv. een deugd is,
wanneer je zegt ‘ik wil dat je aankijkt als ik tegen je praat’ en disciplinering is
wanneer je zegt ‘iedereen kijkt me aan als ik praat’
• Moralisering -> afspraken over functioneren in de groep