Stedelijke geografie
W2 – Tuindorpen (lakerlopen)
Tekst: Tuindorp: Vogeldorp, Amsterdam Noord:
De grond van Vogeldorp is ontstaan door het dumpen van bagger. De woning die erop gebouwd zijn
tot stand gekomen door de werkloosheid op het platteland (industriële revolutie en landbouwcrisis)
tussen 1870 en 1900. Amsterdam kon in met zijn huidige woningbestand niet alle inwoners
huisvesten. Het inwoners aantal verdubbelde toen der tijd van 265.000 tot 510.000 inwoners. Toen
der tijd was woningbouw nog een particuliere aangelegenheid. Ook was er nog geen wetgeving,
woning schaarste en mensen met leefde onder slechte omstandigheden. Arm en rijk woonde tussen
elkaar, geen wonder dat de rijke ook bezorgt waren over de hygiëne. Dr. Samuel Sarphati richtte de
afvaldienst op in 1848. Tevens richten particulieren ook de eerste woningstichting op ter verbetering
van de arbeiders. Langzaam kwam ook de gemeente tot inzage dat er iets moest gebeuren. De eerste
hulp was in de vorm van het betalen van architecten, beschikbaar van land stellen, en geld voor
straten.
Troelstra en Domela maakten arbeiders van bewust van hun eigenwaarde en hun betekenis voor de
maatschappij. Daardoor ontstonden vak verengingen en dit leidde tot woningbouwverenigingen.
Daarop volgende in 1902 de woningwet. Vanaf konden gemeente woningbouw in eigen hand nemen.
De gemeente kon ingrijpen op slechte bouw, te weinig of te hoge huren. Gemeente mochten gaan
verhuren met een exploitatie te kort, hierdoor kon de lagere klasse deugdelijke woning huren.
In 1914 werden drie socialisten geïnspireerd door de uit Engeland
overgewaaide tuinstad gedachte. De tuinstad gedachte is door Ebenezer
Howard bedacht. Kortweg komt de tuingedachte er op neer dat in een
landelijke omgeving, niet ver van bestaande, oude stede, kleinere
autonome steden moesten verrijzen. Profiteren van de voordelen die zowel
stad als platteland bieden, lage grondprijs bereikbaar voor arbeider.
Kenmerken zijn laagbouw, op zichzelf een eenheid vormen, gebouwd in een
parkachtig landschap. De gemeenschapsvoorzieningen in de buurt zouden
er meer vriendschappen worden gesloten. En het gevoel met de natuur zou
de eigenwaarde kunnen toenemen. Nieuwe maatschappij zelfontplooiing
Het voorstel van Wibaut van de drie socialisten geeft de gemeente de druk
om 3500 arbeidershuizen te bouwen. Omdat door de verordeningen
particulieren de interesse hebben verloren in deze markt. Omdat ook dit
plan een aantal jaar zou duren werdt er besloten 650 noodwoningen te
bouwen, alleen dit stuiten op veel weerstand doordat juist waar dit plan
voor stond degelijke huizen. Ten niet werdt gedaan, daarom
Vogel en Disteldorp zijn de eerste tuindorpjes uit nood geboren. De dorpen bestaande voorledig uit
laagbouw met houten bebordingen van gevels en karakteristieke poortwoningen. Er was aandacht
voor groen en ruimte doordat elke woningen een voor-/achtertuin had en gelegen waren aan
centraal plein en plantsoen. De bouwstijl en stratenpatroon accenturen nog eens de dorpse
intimiteit. De woningen hadden stromend water en toilet met waterspoeling. Douches waren er nog
niet, toen ging iedereen naar een badhuis. Niet iedereen vond het daar zo fijn wonen, omdat ze er
vaak uit nood in kwamen. Mensen verkozen vaak het warme nest van de familie (terugkeer naar de
krottenwijken) boven de geriefelijkheid en ruimte van Vogeldorp. Toen der tijd was het gemeente
beleid om mensen met dezelfde woongewoontes bij elkaar te plaatsen, later volgde een visie die hier
haaks op stond (segregatie tot probleembuurten leiden).
W2 – Tuindorpen (lakerlopen)
Tekst: Tuindorp: Vogeldorp, Amsterdam Noord:
De grond van Vogeldorp is ontstaan door het dumpen van bagger. De woning die erop gebouwd zijn
tot stand gekomen door de werkloosheid op het platteland (industriële revolutie en landbouwcrisis)
tussen 1870 en 1900. Amsterdam kon in met zijn huidige woningbestand niet alle inwoners
huisvesten. Het inwoners aantal verdubbelde toen der tijd van 265.000 tot 510.000 inwoners. Toen
der tijd was woningbouw nog een particuliere aangelegenheid. Ook was er nog geen wetgeving,
woning schaarste en mensen met leefde onder slechte omstandigheden. Arm en rijk woonde tussen
elkaar, geen wonder dat de rijke ook bezorgt waren over de hygiëne. Dr. Samuel Sarphati richtte de
afvaldienst op in 1848. Tevens richten particulieren ook de eerste woningstichting op ter verbetering
van de arbeiders. Langzaam kwam ook de gemeente tot inzage dat er iets moest gebeuren. De eerste
hulp was in de vorm van het betalen van architecten, beschikbaar van land stellen, en geld voor
straten.
Troelstra en Domela maakten arbeiders van bewust van hun eigenwaarde en hun betekenis voor de
maatschappij. Daardoor ontstonden vak verengingen en dit leidde tot woningbouwverenigingen.
Daarop volgende in 1902 de woningwet. Vanaf konden gemeente woningbouw in eigen hand nemen.
De gemeente kon ingrijpen op slechte bouw, te weinig of te hoge huren. Gemeente mochten gaan
verhuren met een exploitatie te kort, hierdoor kon de lagere klasse deugdelijke woning huren.
In 1914 werden drie socialisten geïnspireerd door de uit Engeland
overgewaaide tuinstad gedachte. De tuinstad gedachte is door Ebenezer
Howard bedacht. Kortweg komt de tuingedachte er op neer dat in een
landelijke omgeving, niet ver van bestaande, oude stede, kleinere
autonome steden moesten verrijzen. Profiteren van de voordelen die zowel
stad als platteland bieden, lage grondprijs bereikbaar voor arbeider.
Kenmerken zijn laagbouw, op zichzelf een eenheid vormen, gebouwd in een
parkachtig landschap. De gemeenschapsvoorzieningen in de buurt zouden
er meer vriendschappen worden gesloten. En het gevoel met de natuur zou
de eigenwaarde kunnen toenemen. Nieuwe maatschappij zelfontplooiing
Het voorstel van Wibaut van de drie socialisten geeft de gemeente de druk
om 3500 arbeidershuizen te bouwen. Omdat door de verordeningen
particulieren de interesse hebben verloren in deze markt. Omdat ook dit
plan een aantal jaar zou duren werdt er besloten 650 noodwoningen te
bouwen, alleen dit stuiten op veel weerstand doordat juist waar dit plan
voor stond degelijke huizen. Ten niet werdt gedaan, daarom
Vogel en Disteldorp zijn de eerste tuindorpjes uit nood geboren. De dorpen bestaande voorledig uit
laagbouw met houten bebordingen van gevels en karakteristieke poortwoningen. Er was aandacht
voor groen en ruimte doordat elke woningen een voor-/achtertuin had en gelegen waren aan
centraal plein en plantsoen. De bouwstijl en stratenpatroon accenturen nog eens de dorpse
intimiteit. De woningen hadden stromend water en toilet met waterspoeling. Douches waren er nog
niet, toen ging iedereen naar een badhuis. Niet iedereen vond het daar zo fijn wonen, omdat ze er
vaak uit nood in kwamen. Mensen verkozen vaak het warme nest van de familie (terugkeer naar de
krottenwijken) boven de geriefelijkheid en ruimte van Vogeldorp. Toen der tijd was het gemeente
beleid om mensen met dezelfde woongewoontes bij elkaar te plaatsen, later volgde een visie die hier
haaks op stond (segregatie tot probleembuurten leiden).