Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1: De kennisbasis Nederlandse taal ................................................................................................ 2
Hoofdstuk 2: Taalonderwijs en taal ................................................................................................................. 3
Hoofdstuk 3: Mondelinge taalvaardigheid ...................................................................................................... 6
Hoofdstuk 4: Woordenschat ........................................................................................................................... 9
Hoofdstuk 5: Beginnende geletterdheid (groep 1 t/m3) ................................................................................ 12
Hoofdstuk 6: Voortgezet technisch lezen ...................................................................................................... 19
Hoofdstuk 7: Begrijpend lezen ...................................................................................................................... 23
Hoofdstuk 8: Stellen ..................................................................................................................................... 27
Hoofdstuk 9: Jeugdliteratuur ........................................................................................................................ 30
Hoofdstuk 10: Taalbeschouwing ................................................................................................................... 33
Hoofdstuk 11: Spelling .................................................................................................................................. 37
Gemarkeerd is wat je sowieso moet kennen (aan de hand van de
toets matrijs)
1
,Hoofdstuk 1: De kennisbasis Nederlandse taal
De toets bevat 9 domeinen:
1. Mondelinge taalvaardigheid (H2 en H3)
2. Woordenschat (H4)
3. Beginnende geletterdheid (H5)
4. Voortgezet technisch lezen (H6)
5. Begrijpend lezen (H7)
6. Stellen (H8)
7. Jeugdliteratuur (H9)
8. Taalbeschouwing (H10)
9. Spelling (H11)
Dit boek bestaat ook uit deze hoofdstukken.
Toets bestaat uit 100 meerkeuzevragen, verdeeld over de 9 domeinen.
Heb je de vragen in het boek voor 70% goed? Dan zou je de toets moeten halen.
De toets is meerkeuze.
Wat moet je nou kunnen om de toets te halen?
- Begrippen kunnen omschrijven
- Begrip in context weten te plaatsen
- Het verschil met verwante begrippen aan kunnen geven
- Een voorbeeld geven van een begrip in de praktijk
(laatste paragraaf van elk hoofdstuk laat toepassing in praktijk zien)
*Leer dus geen begrippen uit je hoofd. Het gaat erom dat je het begrijpt.
2
,Hoofdstuk 2: Taalonderwijs en taal
* Taalonderwijs: nadruk op schriftelijk onderwijs en taalvorm. Leerkracht richt ze op het
correct aanleren van taalgebruik.
* Er zijn 5 argumenten om taalonderwijs apart te geven:
- Schriftelijke schrijfvaardigheid leer je nou eenmaal niet spontaan
- Niet alle leerlingen kunnen zich zelfstandig een bepaald niveau van taalvaardigheid eigen
maken (bijvoorbeeld NT2 kinderen of taalzwakke kinderen)
- Op school leer je een ander soort taalgebruik aan dan in het dagelijks leven (school =
Standaardnederlands (= wat op tv en radio gesproken wordt), schooltaal, uitdrukkingen,
etc.).
- Bepaalde taalvormen leer je alleen m.b.v. het taalonderwijs (Bijvoorbeeld: discussie
voeren, verslag schrijven, presentatie houden… de regels hiervan moeten worden
aangeleerd)
- Als je leerlingen plezier in lezen wil bijbrengen moet je daar apart aandacht aan besteden.
* Traditioneel onderwijs: bijvoorbeeld door gebruik te maken van methodes om
taalonderwijs te geven.
* Wet op Basisonderwijs maakt onderverdeling van taalonderwijs:
1. mondeling
2. schriftelijk
3. taalbeschouwing, waaronder strategieën
* Kennisbasis maakt een iets verfijndere onderverdeling:
1. Mondelinge taalvaardigheid (spreken, luisteren, gesprekken voeren, presentatie geven,
strategieën spreken en luisteren aanleren, etc.).
2. woordenschat (betekenis van woorden, spreekwoorden, uitdrukkingen).
3. beginnende geletterdheid (groep 1,2,3: is eigenlijk een fase) (= vermogen om schriftelijke
taal te begrijpen en te kunnen gebruiken). Deze heeft 3 stadia:
3.3. Ontluikende geletterdheid (0-4jr)
3.2. Beginnende geletterdheid (gr 1 tm 3)
3.3. Gevorderde geletterdheid (na gr 3)
Dit bevat:
- aanvankelijk lezen (gr 3)
- voortgezet technisch lezen (na eerste helft van gr 3)
4. Voortgezet technisch lezen (ontcijferen van letters, hardop lezen, lees strategieën = gaat
om vlot en nauwkeurig lezen! Niet om begrijpen van de tekst).
5. Begrijpend lezen (bijvoorbeeld Nieuwsbegrip)
** Begrijpend lezen en voortgezet technisch lezen vallen onder ‘voortgezet lezen’.
3
, 6. Stellen (schrijven verschillende soorten teksten/tekstsoorten met kennis van de regels en
kenmerken van een tekst)
7. Jeugdliteratuur (kennismaken genres, smaak creëren en plezier in lezen! Is belangrijkste.
Belangrijkste voor kinderen bij lezen is overigens ontspanning).
8. Taalbeschouwing (reflecteren op taalvorm, manier van verwoorden en gebruiken van taal.
Kinderen ontdekken vorm en regelmaat in taal). Deze heeft een onderscheid van 2:
- traditionele grammatica: zin ontleden
- taalbeschouwing: algemene taalverschijnselen.
Dit onderscheid zie je vaak in methodes terug.
9. Spelling (meest voorkomende woorden correct spellen, spellingsregels kennen en
toepassen, interpunctie, etc.).
__
Bij taalonderwijs stijg je boven normale taalgebruik situaties uit en reflecteer je op taal en
hoe taal in elkaar zit.
--
Er zijn 3 verschillende functies van taal (school heeft hier de taak om deze te ontwikkelen bij
de leerlingen):
1. Communicatieve functie/sociale functie
Er zijn verschillende sociale taalfuncties:
- Zelfhandhaving (voor jezelf kunnen opkomen en kunnen verdedigen)
- Zelfsturing (aangeven wat je gaat doen)
- Sturing van anderen (‘Ga je mee?’)
- Structurering van gesprek (Taal gebruiken om gespreksverloop te beïnvloeden.
Bijvoorbeeld: ‘nu moet jij gaan’)
2. Conceptualiserende/cognitieve functie
= taal gebruiken als hulpmiddel om gedachtes te ordenen en greep te krijgen op de
werkelijkheid
3 soorten:
2.1 rapporteren (bijvoorbeeld: de auto reed iemand aan) (makkelijkste)
2.2 redeneren (bijvoorbeeld: de bestuurder lette niet goed op, daardoor kwam het)
2.3 projecteren (bijvoorbeeld: ik denk dat de bestuurder het heel erg vindt) (moeilijkste)
3. Expressieve taalfunctie
= jezelf uiten (+ creatieve manier)
& Communicatieve competentie
= hoe je iets formuleert (bijvoorbeeld: ‘ik wil dat hebben’ Nee à ‘ik zou dat graag willen
hebben’).
4